Speciale doelgroepen

Speciale doelgroepen

Er zijn een aantal groepen die een hogere kans lopen op de ontwikkeling van een eetstoornis. Het kan gaan over een aandoening die iemand extra kwetsbaar maakt om een eet- of gewichtsprobleem te ontwikkelen, bv. een medische aandoening of een probleem in de ontwikkeling. Het kan ook gaan over leven in een omgeving of context die veel druk legt op slank zijn of op wat en hoeveel je eet, bv. bij sporters.  

In deze situaties vraagt de behandeling van het eetprobleem extra kennis en zorg van de hulpverlener. We bieden er daarom verdiepende informatie over aan.  In ons draaiboek vind je extra informatie over de risicofactoren en -profielen. Hieronder geven we meer informatie over hoe personen met Autisme, personen die lijden aan Diabetes Type 1 en topsporters een verhoogd risico lopen.

1. Autisme en eetproblemen

Voor veel mensen is leren eten iets vanzelfsprekends. Maar voor kinderen met autisme is iets nieuws leren, prikkels verwerken en informatie afleiden uit de omgeving moeilijk, allemaal vaardigheden die belangrijk zijn bij het (leren) eten.  

Leren eten – een uitdagende taak 

Leren eten is een uitdagende taak in het ontwikkelingsproces van een kind.  Op motorisch vlak leren baby’s hun tong en tandjes te gebruiken: van het doorslikken van melk, naar het verwerken van brokjes in de pap, tot het maken van kauwbewegingen bij vast voedsel. Op sensorisch vlak is eten een bron van nieuwe prikkels. Een baby leert dagelijks onbekende smaken, geuren en texturen kennen. Moedermelk en huisbereide maaltijden smaken altijd een beetje anders. Bovendien kunnen baby’s smaakprikkels pas verwerken wanneer het voedsel effectief in hun mondje zit. Ze hebben nog geen voorstelling van wat ze op hun bord zien liggen, wat kan zorgen voor verrassende ervaringen. Die voorstelling groeit uit ervaring en door de denkontwikkeling. Kinderen leren wat eetbaar is en wat ze kunnen verwachten als ze eten, door de combinatie van het uitzicht, geur en smaak van voedsel, en de omgeving of context waarin gegeten wordt. Ze leren bijvoorbeeld dat citroen zuur is, middageten warm is etc. Zo leert het kind inschatten of het veilig is om iets te eten. Tot slot leren kinderen de sociale context kennen rond eten. Ze ontdekken allerlei eetregels zoals ‘frietjes mag je met de handen eten’ en de uitzonderingen op deze regels. 

Eetproblemen bij kinderen met ASS – een normale zaak 

Kinderen met autisme hebben moeite bij het aanleren en automatiseren van bewegingen, zijn over- of ondergevoelig voor bepaalde zintuigelijke prikkels en kunnen moeilijk informatie afleiden uit de context (bv. eetregels). Eten is heel complex, en omvat motoriek, zintuigelijke prikkels, en informatie afleiden. Het is dus logisch dat veel kinderen met autisme eetproblemen hebben. 

Vaak gaat het over selectief eetgedrag, waarbij ze slechts een klein aantal voedingsmiddelen aanvaarden. Dit is vaak gelinkt aan een strak beeld rond hoe voedsel eruit moet zien, ruiken, of smaken. Daardoor herkennen ze slechts een beperkt aantal voedingsmiddelen als ‘veilig/eetbaar/lekker’, en hebben ze meer last hebben van neofobie of angst om iets “nieuws” te proeven. Kinderen met ASS ervaren zintuigelijke prikkels ook vaak anders – sterker, of net veel zwakker. Voedsel geeft heel wat prikkels aan de zintuigen, zoals geur, smaak, uitzicht en textuur. Voor kinderen die overgevoelig zijn aan prikkels, kan een bord gevuld met veel verschillende kleuren te belastend zijn, of kan een snuifje zout als een volledig vat zout smaken. Bij erg lage gevoeligheid voor prikkels, kunnen kinderen een voorkeur hebben voor krakend (luid) voedsel, of voor pikante smaken.  

Heel wat kinderen met ASS zijn dan ook erg selectief of kieskeurig in het voedsel dat ze aanvaarden. Selectief eetgedrag maakt kinderen zowel kwetsbaar voor ondergewicht als voor overgewicht.  

Kinderen met ASS ondersteunen in eetgedrag 

Moeten kinderen met autisme dezelfde doelen halen als kinderen zonder autisme, en waar leg je de lat? Een goede richtlijn hierbij is: laat het eetgedrag toe dat het kind op medisch vlak gezond is?  En is het eetgedrag aanvaardbaar binnen de sociale omgeving  waarin het kind zich bevindt? Het is dus niet de bedoeling om het kind onder druk te zetten om graag te eten of alles te lusten als dit niet nodig is vanuit gezondheidsredenen (bv. er is geen ondervoeding, het kind eet geen onveilige dingen) of vanuit sociale argumenten (het kind bevindt zich doorgaans in een omgeving die rekening houdt met de kenmerken van autisme, zoals een aangepaste school, bij ouders of zorgfiguren die zich aanpassen aan wat het kind met autisme nodig heeft etc.). 

Je kan een kind met autisme helpen door rekening te houden met de zintuigelijke prikkelgevoeligheid van het kind en door te verhelderen en verduidelijken wat precies verwacht wordt van het kind. Dit kan al spelenderwijs, waarbij de sociale regels rond beleefd eetgedrag tijdelijke op de achtergrond mogen blijven. Wanneer het kind op medisch vlak gezond is en sociaal gezien niet door de mand hoeft te vallen, is een mooi doel bereikt. 

ASS en eetstoornissen 

Personen met ASS kunnen ook een eetstoornis ontwikkelen. We zien vooral een samenhang tussen ASS(-trekken) en anorexia nervosa. Bij personen met ASS verloopt het herstel van een eetstoornis moeilijker, de stoornis blijft hardnekkiger aanwezig. ASS wordt dan ook gelinkt aan langdurige eetstoornissen. 

Verdieping 

Downloadlinks tools & fiches

  • Fiche groeiwijzer

    Samenvattingsfiche van het boek ‘Groeiwijzer’ met de normale ontwikkeling van smaak en eetgedrag

    Download

Externe links

  • ‘Participate!’ helpt autisme beter begrijpen en heeft ook een pagina rond eetstoornissen 
  • ‘Kennisplein’ helpt kwetsbare groepen ondersteunen en brengt informatie rond verschillende thema’s samen. Ze hebben een pagina rond eetproblemen bij personen met autisme 
  • NokNok, een website met informatie en opdrachten voor jongeren om je goed in je vel te voelen 
Lees meer

2. Diabetes

Type 1 diabetes en eetproblemen 

Leven met type 1 diabetes vergt heel wat aanpassingen in iemands eetpatroon en –gedrag. Net door deze aanpassingen, lopen personen met type 1 diabetes een verhoogd risico op verstoord eetgedrag: 

  • Leven met diabetes vraagt een nauwkeurige opvolging van wat, wanneer en hoeveel gegeten wordt, om de bloedglucose onder controle te houden en een correcte dosis insuline te geven. Dit kan een erg strikt eetpatroon uitlokken.  
  • De opstart van de insuline behandeling bij type 1 diabetes zorgt voor een herstel van het gewicht, waardoor het gewicht stijgt. Dit kan lichaamsontevredenheid uitlokken.  
  • Type 1 diabetes is een chronische aandoening, en leven met diabetes en de mogelijke gevolgen van deze aandoening is een psychologische stressfactor.  
  • Diabetes heeft invloed op het honger- en verzadigingsgevoel, waardoor het eetgedrag verstoord kan geraken. 

Leven met diabetes werkt dus in op verschillende gekende risicofactoren in het ontstaan van een eetstoornis.  

Verstoord eetgedrag neemt ook bij personen met type 1 diabetes verschillende vormen aan: restrictief eetgedrag (bv. bij sterke rigiditeit), eetbuien (bv. bij een verstoring van het honger- en verzadigingsgevoel) en compensatiegedrag (zoals extreem sporten, braken). Een vorm van compensatiegedrag die uniek is voor deze groep, is met opzet een te lage dosis insuline toedienen of een dosis over te slaan, met als doel gewicht te verliezen.  

De risico’s en gevolgen van eetproblemen/eetstoornissen bij diabetes type 1 zijn niet min: hyperglycemie, mentale gezondheidsproblemen, het vroeger ontstaan van microvasculaire complicaties (zoals gezichts- en nierschade), een hogere frequentie van diabetesgerelateerde ketoacidose en hospitalisatie ten gevolge van diabetes, en een verhoogd mortaliteitsrisico (meer bepaald een drievoudig risico over een periode van 6 tot 10 jaar). Daarom is het belangrijk om tijdig verstoord eetgedrag en eetstoornissen in het algemeen, en onaangepast insulinegebruik in het bijzonder, tijdig op te sporen.  

Een goede kennis van (kenmerken van) eetstoornissen en risicofactoren zijn van belang in tijdige detectie van verstoord eetgedrag en eetstoornissen. Meer informatie over type 1 diabetes, vroegdetectie en behandeling vind je terug in de verdiepende informatie.  

Verdieping 

  • Samenvatting vorming Prof. Christel Hendrieckx.
  • Goebel-Fabbri, A. E. (2009). Disturbed eating behaviors and eating disorders in type 1 diabetes: Clinical significance and treatment recommendations. Current Diabetes Reports, 9, 133-139.  
  • Goebel-Fabbri, A.E. (2017). Prevention and recovery from eating disorders in Type-1 diabetes, injecting hope. Routledge.  

Downloadlinks tools & fiches

  • Hendrieckx, C., Halliday, J.A., Beeney, L.J., & Speight, J (2016). Diabetes and emotional health: a handbook for health professionals supporting adults with type 1 or type 2 diabetes. Canberra: National Diabetes Services Scheme.

    Het hoofdstuk “Eating problems” vormde de basis voor de vorming van Prof. Hendrieckx. Het volledige handboek staat online, met aanvullende vragenlijsten en steekkaarten. Doorscrollen naar “Diabetes and Emotional Health Handbook” of download hieronder rechtstreeks. 

    Naar de site
  • Diabetes and Emotional Health Handbook 

     

    Naar de site
  • Diabetes and Emotional Health Questionnaires 

    Naar de site
  • Diabetes and Emotional Health Summary Cards

    Naar de site

Externe links

National Paediatric Diabetes Audit (NPDA) National Conference 2018: Getuigenis van een ervaringsdeskundige.

Lees meer

3. Eetstoornissen in de sport

Samenvattende tekst

Topsporters hebben meer risico op de ontwikkeling van een eetstoornis. Ze hebben namelijk extra risicofactoren bovenop de risicofactoren die ze delen met niet-sporters.  

Zo voelen sporters meer druk om slank te zijn. Vaak denken de sporter en de omgeving van de sporter dat er meer kans is om te winnen bij een lager gewicht of vetpercentage. De daarbij horende gewichtsopvolging, vetmetingen, en eetvoorschriften kunnen negatieve gevoelens uitlokken. In verschillende sporten wordt de sporter ook op zijn uiterlijk beoordeeld, en dragen sporters kledij die weinig aan de verbeelding overlaat. Deze focus op het uiterlijk maakt hen kwetsbaarder voor lichaamsontevredenheid. Sporters, vooral vrouwen, worden door deze onthullende kledij ook geseksualiseerd.  

Sommige sporters beoefenen een sport met een gewichtsklasse, zoals judo, gewichtheffen… Zij kunnen druk ervaren om op korte termijn veel gewicht bij te komen of af te vallen. Dit kan extreem en gevaarlijk gedrag uitlokken om het gewicht op een bepaald punt te krijgen.  

Succesvolle sporters hebben vaak typische persoonlijkheidskenmerken, zoals veel doorzettingsvermogen en zelfdiscipline, en zijn gericht op een goede prestatie halen. Deze kenmerken worden vaak gewaardeerd door coaches die met hen werken, maar deze kenmerken zien we ook bij personen met (een verhoogd risico op) anorexia nervosa.   

Het ontdekken van een eetstoornis is moeilijker in de sportwereld. Het is moeilijk om het verschil te zien tussen ‘normaal’ gedrag van een sporter en een eetstoornis. Veel sporters zijn sterk bezig met gezonde voeding, sporten heel vaak, en heel wat vrouwelijke sporters hebben een onregelmatige menstruatiecyclus. Bij een sporter leeft bovendien de angst om niet meer te mogen sporten of uit het team gezette worden, waardoor ze hun probleem vaak ontkennen. Ook verminderen de prestaties van de sporter niet meteen. Coaches gaan er vaak vanuit dat iemand die goed presteert geen probleem kan hebben. Maar, het immuunsysteem van de sporter komt onder druk te staan, de prestatie daalt, en de sporter kan in een vicieuze cirkel terechtkomen: de sporter probeert zijn prestatie op te krikken door nog restrictiever te eten/extremer te sporten, met een tegenovergesteld resultaat.  

Er zijn verschillende ingrediënten voor een succesvolle behandeling. De hulpverlener moet ervaring hebben met het behandelen van sporters, en het belang van sport in het leven van de cliënt begrijpen. Sportparticipatie kan gebruikt worden als motivatie, en de ‘sportfamilie’ (coach en teamleden) wordt indien mogelijk betrokken bij de behandeling.  

Coaches zijn geen behandelaars, maar hebben door hun grote rol in het leven van de sporter een belangrijke rol in preventie, herkenning van eetstoornissignalen, doorverwijzing naar hulp, en als steunfiguur. Voor de sporter met een eetstoornis is het helpend als de coach het volgen van een behandeling steunt. Heel wat coaches zijn bang dat een behandeling automatisch betekent dat de sporter niet meer kan trainen. Ook bij sporters leeft deze angst. Een goede gezondheid is echter een essentiële voorwaarde voor goede sportprestaties, en dit werkt zowel motiverend voor sporter als coach.   

Verdieping 

Externe links

  • Eetexpert ontwikkelde samen met Topsport Vlaanderen en Bloso de website Eetproblemen in de sport met informatie voor coaches, sporters, en zorgfiguren rond preventie, detectie en hulp bij eetproblemen in de sport. 
  • Het ‘Female Athlete Body’ project is een preventietraining voor sporters, dat verder bouwt op de principes van cognitieve dissonantie (Stice). De sporters krijgen hierbij strategieën aangeleerd om een adequate energiebalans te verkrijgen, signalen van RED-S te herkennen, en ‘fat talk’ tegen te gaan. 
  • The Victory Program’ werd ontwikkeld door Thompson en Sherman om eetstoornissen bij sporters te behandelen. 
  • De IOC ontwikkelde een consensustekst rond RED-S met onder meer een risicotaxatie om te bepalen of de sporter terug mag deelnemen aan training en competitie. 
  • De NCAA ontwikkelde in 2014 een handboek voor coaches gericht op preventie en detectie van mentale problemen (inclusief eetstoornissen) en het verminderen van het stigma dat hiermee geassocieerd wordt. 
Lees meer