Feiten en fabels

Obesitas en Eetstoornissen

Een continuüm

Als men aan eet- en gewichtsproblemen denkt, dan denkt men vaak aan de extremen: personen met een diagnose van een specifieke eetstoornis (bv. anorexia nervosa of boulimia nervosa), of personen met morbide obesitas. Men gaat ervan uit dat mensen pas een probleem hebben wanneer ze aan de criteria van deze diagnostische stoornissen voldoen. Deze visie is niet correct: je hebt niet van de ene op de andere dag een eetstoornis of een gewichtsprobleem. Voordat mensen aan de criteria van een eetstoornis of obesitas voldoen, is men al een tijdje aan het haperen op vlak van eten.   En niet elk ‘haperen’ leidt tot een eetstoornis of een ernstig gewichtsprobleem.  

Idealiter heeft men een neutrale houding t.o.v. van eten: men denkt aan eten op de momenten dat het nodig is, en de vraag naar wat en hoe te eten neemt niet teveel tijd en energie. Evenwichtig eetgedrag kenmerkt zich door een regelmatige eetstructuur, kunnen genieten van eten (zonder dat genieten per se moet), gevarieerd eten en een goede afstemming tussen voedselinname en honger en verzadiging. 

Onder haperend eetgedrag verstaan we o.a. :    

  • Schuldgevoelens hebben bij wat en hoeveel er gegeten wordt  
  • Onrust voelen als men bepaalde voedingsmiddelen moet eten
  • Erg vasthouden aan bepaalde regeltjes rond voeding   
  • Weinig gevarieerd eten    
  • Te vaak eten   
  • Te weinig eten   
  • Niet luisteren naar honger- en/of verzadigingssignalen    
  • Eten zonder honger maar bijvoorbeeld door emoties 
  • Geen tijd nemen om te eten    
  • Gebrek aan eetstructuur   
  • ….    

De hapering op vlak van eten kan een bewuste keuze zijn (men negeert bijvoorbeeld hongersignalen en gaat bewust minder eten in een poging om gewicht te verliezen) maar kan ook aangeleerd zijn (bijvoorbeeld het ontbijt overslaan omdat er in het gezin van herkomst niet ontbeten werd).  Op het eerste zicht lijkt haperend eetgedrag misschien niet zo ernstig. Toch kan haperend eetgedrag het risico op zowel gewichtstoename als op meer verstoord eetgedrag verhogen. Haperend eetgedrag en gewichtsproblemen kunnen elkaar versterken: een gewichtstoename door een gebrek aan eetstructuur kan leiden tot schuldgevoelens bij het eten van bepaalde voedingsmiddelen. Dit kan leiden tot rigide dieetregels die zowel het risico op gewichtstoename maar ook op nog meer verstoord eetgedrag verhogen. In het slechtste scenario evolueert men onbewust naar een eetstoornis of heeft men steeds grotere gewichtstoenames en evolueert men naar morbide obesitas.  

In een ideaal scenario vermijden we dat mensen beginnen te haperen op vlak van eten. Dit kan o.a. door ouders en zorgverstrekkers te leren hoe ze kinderen optimaal kunnen ondersteunen in de normale ontwikkeling van eetgedrag, door evenwichtig eetgedrag en  een gezonde leefstijl ook aan te moedigen bij volwassenen, en bij iedereen in te zetten op lichaamstevredenheid waardoor mensen minder geneigd zijn om te beginnen haperen in hun eetgedrag.  Om te voorkomen dat mensen evolueren naar een eetstoornis is er vaak meer nodig gezien eetstoornissen meerdere terreinen treffen: het versterken van de zelfwaarde en een positief lichaamsbeeld, het leren omgaan met emoties, mediaweerbaarheid, en inzetten op goede sociale contacten en verbondenheid. Meer informatie over de preventie van eetstoornissen en gewichtsproblemen vind je in ons stappenplan voor de preventie van eet-en gewichtsproblemen bij jongeren.   

Samenvattend: Zorg mag zich niet enkel richten op de extremen. Men kan eet- en gewichtsproblemen beter op een continuüm plaatsen, gaande van lichte eet- en gewichtsproblemen tot eetstoornissen en morbide obesitas. Ook preventieve maatregelen en tijdig ingrijpen bij haperend eetgedrag zijn noodzakelijk om erger te voorkomen.   

Eetstoornissen

1. DSM-criteria   

Op dit moment zijn er binnen de laatste nieuwe uitgave van de DSM 5 zes eetstoornissen afzonderlijk gespecificeerd, waarvan er drie doorgaans starten in de adolescentie of volwassenheid: anorexia nervosa (AN), boulimia nervosa (BN) en de eetbuistoornis of binge eating disorder (BED). Afhankelijk van het voorkomen van bepaalde symptomen gedurende een bepaalde periode wordt er wel of niet tot een bepaalde categorie besloten.

Belangrijk om op te merken is dat men bij AN spreekt van twee types: Bij het restrictieve type staan restrictief eten en vasten en overmatige beweging centraal, binnen dit type zijn er geen eetbuien aanwezig. Bij het eetbuien/purgerende type zijn er wel eetbuien aanwezig en ook compensatie gedrag zoals braken of het gebruik van laxeermiddelen of diuretica in een poging om de gevolgen van de eetbuien teniet te doen. Het diagnostisch onderscheid tussen AN van het purgerende type en BN wordt gemaakt op basis van het gewicht: AN kenmerkt zich door ondergewicht.    

BN en BED onderscheiden zich van elkaar in het wel of niet aanwezig zijn van compensatiegedrag bij eetbuien. Bij BN is compensatiegedrag wel aanwezig, bij BED is dit niet aanwezig.    

Daarnaast omvat DSM 5 ook nog de categorie  “Andere gespecifieerde voedings- of eetstoornis”. Deze categorie wordt gebruikt wanneer men een deel van het beeld van anorexia nervosa, boulimia nervosa of een eetbuistoornis vertoont, maar niet het volledige beeld vertoont. Bijvoorbeeld iemand die aan de gedragskenmerken van anorexia nervosa voldoet en aanzienlijk vermagerd is, maar een gewicht heeft dat nog binnen de normale grenzen valt (bv. personen die voorheen obesitas hadden en veel zijn afgevallen). De ziektebeelden die binnen deze categorie vallen, zijn echter niet minder ernstig dan die van AN, BN en BED.   

2. Eetstoornissen en gewicht  

Vaak wordt er gedacht dat je op basis van iemands gewicht kan afleiden of iemand een eetstoornis heeft. Eetstoornissen komen echter voor over het gehele gewichtsspectrum. Afhankelijk van de mate van restrictiviteit en de mate van compensatiegedrag dat aanwezig is, kan het gewicht variëren tussen ondergewicht en obesitas. Je kan dus op basis van iemands gewicht niets zeggen over het wel of niet aanwezig zijn van een eetstoornis. Bovendien zijn eetstoornissen niet onafhankelijk van elkaar. Binnen de praktijk alsook binnen onderzoek is aangetoond dat mensen van de ene naar de andere eetstoornis evolueren. Het is bijvoorbeeld geweten dat patiënten met anorexia nervosa van het restrictieve type vaak evolueren naar anorexia nervosa van het purgerende type o.a. omdat het lichaam eetbuien zal opwekken als een gevolg van de restrictie in voeding om toch maar voedingsstoffen binnen te krijgen.    

3. De gevolgen van eetstoornissen   

Vaak wordt vooral gedacht aan personen met anorexia nervosa wanneer het gaat over de schadelijke gevolgen van eetstoornissen. Niets is echter minder waar, over het hele gewichtsspectrum kunnen eetstoornissen zeer schadelijke somatische, intrapsychische en sociale gevolgen hebben op zowel korte- als lange termijn.

3.1. Somatische gevolgen van eetstoornissen  

Een eetstoornis kan ernstige lichamelijke complicaties veroorzaken waarvan sommige reversibel zijn, maar andere langdurend en nog andere levensbedreigend kunnen zijn. Hier vind je een gedetailleerd overzicht van de somatische gevolgen van eetstoornissen.

3.2. Intrapsychische en sociale gevolgen van eetstoornissen  

De eetstoornis functioneert in eerste instantie vaak als ‘oplossing’ voor verschillende problemen, maar naarmate de eetstoornis zich verder ontwikkelt, wordt de impact zo groot dat de emotionele en psychologische ontwikkeling sterk belemmerd worden. Alle domeinen van het leven worden aangetast: identiteitsontwikkeling, functioneren binnen het gezin, sociale contacten met vrienden en vrijetijdsbesteding, functioneren op school of in de werkcontext. Meer gedetailleerde informatie over de intrapsychische en sociale gevolgen vind je hier.

4. Risico- en beschermende factoren bij ontwikkeling eetstoornis  

Het is moeilijk om te voorspellen wie precies een ernstige eetproblematiek zal ontwikkelen. Uit onderzoek is echter wel gebleken dat er factoren zijn die de kans op de ontwikkeling van een eet-en gewichtsproblematiek verhogen: risicofactoren. Anderzijds zijn er factoren die het risico op de ontwikkeling van een eet- of gewichtsproblematiek verlagen: de beschermende factoren. De balans tussen beide soorten factoren is daarbij erg belangrijk: Iemand kan erg veel risicofactoren hebben maar toch geen problematiek ontwikkelen omwille van ook vele beschermende factoren die in het leven van die persoon aanwezig zijn.

De Eetexpertfiche “Risicoprofiel bij eet-en gewichtsproblemen, samenvattingsfiche” bevat een overzicht van de beschermende en risicofactoren per leeftijdscategorie.    

4.1. Media als risicofactor?  

De vraag wordt vaak gesteld: spelen (sociale) media een rol in (de ontwikkeling van) eetstoornissen? Zeggen dat (sociale) media eetstoornissen veroorzaken is flink overroepen maar dat er een zekere invloed is, is niet te ontkennen. Maatschappelijk wordt er erg veel belang gehecht aan uiterlijk en gewicht. Media tonen een weerspiegeling van wat er leeft in de maatschappij. Dat maakt media tot een belangrijk communicatiemiddel van het culturele schoonheidsideaal.  De focus en het belang dat er gehecht wordt aan uiterlijk binnen de media bekrachtigt verschillende risicofactoren voor de ontwikkeling van eetstoornissen en kan dus bij onvoldoende tegengewicht van beschermende factoren tot eetstoornissen leiden.   

Heel wat studies tonen bijvoorbeeld aan dat blootstelling aan het slankheidsideaal leidt tot een lagere lichaamstevredenheid (Fardouly & Vartanian, 2016). Een lagere lichaamstevredenheid is een belangrijke risicofactor voor de ontwikkeling van eetstoornissen. Uit onderzoek blijkt daarnaast dat in het merendeel van kinderfilms en fictiereeksen voor volwassen overgewicht gekoppeld wordt aan negatieve eigenschappen, zoals onaantrekkelijk of onvriendelijk zijn, terwijl in het merendeel van deze films slankheid en fysieke aantrekkelijkheid gekoppeld worden aan positieve eigenschappen zoals geluk, succes, populariteit en vriendelijkheid (Herbozo, Tantlee-dunn, Gokee-Larose & Thompson, 2004; Greenberg, Eastin, Hofschire, Lachlan, Brownell, 2003). Zulke boodschappen kunnen onterecht leiden tot het idee dat men pas talentvol, succesvol en populair zal zijn wanneer men slank is. Kwetsbare jongeren kunnen zo het idee hebben dat ze hun problemen -verminderd zelfvertrouwen, beperkte sociale contacten- kunnen oplossen door in te zetten op slank zijn en gewicht verliezen. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat vrouwen met een eetstoornis hoge verwachtingen hebben rond de maatschappelijke voordelen van slank zijn.      

Het maatschappelijke belang dat er gehecht wordt aan uiterlijk, gewicht en lichaamsvormen kan bovendien een valkuil zijn in de vroege ontwikkeling en detectie van een eetstoornis. Het kan er voor zorgen dat het eetprobleem niet op tijd wordt ontdekt, en dat  de dichte maar ook ruime omgeving het probleemgedrag aanmoedigt en beloont. Denk bijvoorbeeld aan vrienden/familie/kennissen die vol bewondering zijn voor het bereikte gewichtsverlies. De positieve aandacht zorgt er bovendien voor dat de persoon nog meer zal inzetten op het probleemgedrag. Evenzeer toont onderzoek aan dat afkeurende reacties op “een maatje meer” eetstoornissen in de hand kunnen werken (zie ook Stigmatisering en respectvolle communicatie).   

5. De behandeling van eetstoornissen

5.1. De inzet van multidisciplinaire expertise in behandeling op maat

De behandeling van eetstoornissen vraagt om goede zorg op de verschillende terreinen in het dagdagelijks functioneren:  De fysische, psychologische, sociale gezondheid moeten weer hersteld worden.  Dit gebeurt na goede diagnostiek om te weten wat er juist aan de hand is, na verkenning van waar betrokkene voor gemotiveerd is, en met goede kennis van mogelijke verklaringsmodellen en effectieve interventies. Op maat van wat betrokkene nodig heeft wordt dan een geïndividualiseerd behandelplan uitgewerkt.   

Algemene aanbevelingen voor goede behandeling van eetstoornissen vind je hier.

Gezien eetstoornissen verschillende levensdomeinen treffen is voor uitwerking van goede zorg op maat samenwerking nodig tussen verschillende experten. Diëtisten, psychologen en artsen werken samen, soms in een vast team, soms ad hoc met regelmatige bijsturingsmomenten waarop multidisciplinair overlegd wordt in functie van optimale en passende zorg.  

5.2. De (Sociale) media: vriend of vijand in het herstel van een eetstoornis? 

(Ex)-patiënten getuigen vaak hoe bepaalde informatie, beelden of foto’s hen kan aanzetten tot nog extremer lijngedrag.   Kwantificeerbare informatie zoals gewicht, BMI, aantal uren sport, geconsumeerd aantal calorieën zet aan tot onderlinge vergelijking en tot schadelijke competitie: “ik wil dat ook bereiken”. Bovendien geeft men vaak aan dat dit soort informatie doet twijfelen of dat men wel ziek genoeg is en of men het wel verdient om hulp te vragen. Ook gedetailleerde beschrijvingen van probleemgedrag zijn problematisch. Het zet patiënten aan tot kopiëren van dit gedrag en speelt zo in de kaart van de eetstoornis. Andere triggers zijn foto’s of beelden van extreem magere lichamen. Deze beelden zetten personen aan om een onrealistisch en ongezond lichaam na te streven en kunnen op die manier aanzetten tot verstoord eetgedrag. Het is opletten met foto’s van uitgemergelde lichamen met bv. een holle buik of opvallend zichtbare ribben, ruggengraat, heup- of sleutelbeenderen.   

Van pro-eetstoornis websites is het geweten dat ze boordevol schadelijke informatie staan die personen at risk kunnen triggeren maar ook op sociale media is deze informatie te vinden (Custers, 2015). Omdat de informatie die op deze sites en sociale media staat erg schadelijk kan zijn, wordt er geadviseerd om deze sites en sociale medianetwerken niet “in the picture” te zetten. Net zoals men adviseert om bij preventiemaatregelen niet in te zetten op het bespreken of het tonen van probleemgedrag is het ook beter om jongeren at risk niet bewust te maken van het bestaan van pro-ana sites of schadelijke sociale netwerken. Het is aan de hulpverleners van de patiënten om het gebruik van deze websites en netwerken te bespreken. 

  Lees meer

Overgewicht en obesitas

1. Wat is overgewicht/obesitas?  

Men spreekt van overgewicht bij een BMI tussen 25 en 30. Overgewicht verwijst naar een relatief teveel aan gewicht ten opzichte van de lengte, ongeacht de samenstelling (beenderen, spieren, vet) van dit overgewicht. Men spreekt van obesitas of zwaarlijvigheid bij een BMI hoger dan 30. Hierbij gaat het teveel aan gewicht vaak gepaard met een toestand van overtollige vetopstapeling.   

2.  De gevolgen van obesitas  

Onderzoek toont aan dat obesitas gerelateerd is aan heel wat gezondheidsproblemen.    

— Cardiovasculaire problemen en beroertes .Obesitas is gerelateerd aan risicofactoren voor cardiovasculaire problemen en beroertes o.a. hogere bloeddruk en abnormale cholesterolniveaus.      

— Type 2 diabetes.   Obesitas is gerelateerd aan een verhoogd risico op type 2 diabetes.  

— Kanker .  Obesitas is gerelateerd aan een verhoogd risico op verschillende kankers.   

—Spijsverteringsproblemen . Obesitas is gerelateerd aan een verhoogd risico op maagklachten, gal- en leverproblemen.    

— Gynaecologische en fertiliteitsproblemen . Obesitas is gerelateerd aan menstruatie- en vruchtbaarheidsproblemen bij vrouwen en erectieproblemen bij mannen.   

— Slaapapneu. Personen met obesitas hebben meer kans op de ontwikkeling van slaapapneu waarbij de ademhaling onregelmatig stopt en start tijdens het slapen.   

— Artrose en gewrichtsproblemen. Obesitas zorgt voor meer druk op de gewrichten die het gewicht dragen.  Dit kan tot allerlei problemen leiden waaronder artrose.    

—Psychologische problemen . O.a. depressie , angst , schaamte en schuldgevoelens   

— Sociale problemen. O.a. isolatie, werkloosheid

Ook al hebben mensen met overgewicht en obesitas als groep een hoger risico op gezondheidsproblemen dan de groep van mensen met een normaal gewicht (populatieniveau), op individueel niveau hebben we meer info nodig voor gezondheidsinschatting. Schattingen geven aan dat ongeveer 1 op 3 mensen met obesitas metabool gezond zijn d.w.z. dat zij niet voldoen aan de kenmerken van het metabool syndroom dat o.a. het risico op diabetes type 2 en cardiovasculaire aandoeningen verhoogt. Daarnaast blijkt dat 1/3 van de mensen met een normaal gewicht metabool ongezond zijn en dus wel voldoen aan het risicoprofiel (Lin, Zhang, Zheng, & Zheng, 2017; Tomiyama, Hunger, Nguyen-Cuu, & Wells, 2016; van Vliet,-Ostaptchouk, Nuotio, Slagter et al. 2014). Hoewel er dus een relatie is tussen gewicht en gezondheid, wil dit niet zeggen dat iedereen die lijdt aan obesitas een slechtere gezondheid heeft  EN dat mensen met een normaal gewicht geen verhoogd risico zouden lopen op o.a. diabetes type 2 en cardiovasculaire aandoeningen. Op individueel niveau lijkt gewicht of BMI dus niet de beste parameter om iets te zeggen over iemands gezondheid en blijken andere parameters zoals o.a. bloeddruk, cholesterol, bloedsuikerspiegel, enz. beter. 

3. Oorzaken overgewicht/obesitas.   

De oorzaken voor obesitas zijn veel complexer dan simpelweg te veel eten en te weinig bewegen. Obesitas komt tot stand en wordt in stand gehouden door een complexe interactie van veel verschillende factoren. Onderzoek wijst o.a. op de sterke invloed van slaapgewoonten, stress, crashdiëten, hormonale disbalans, genetica, ziekte, psychisch functioneren en medicatiegebruik. 

Genetica  

Tweelingenonderzoek toont aan dat genetica een rol speelt in zowel gewichtstoename als gewichtsverlies. Er werd aangetoond dat de toename in gewicht bij identieke tweelingen minder verschilde dan bij mensen zonder genetische relatie (Bouchard, 1990). Eenzelfde conclusie werd gevonden bij gewichtsverlies door een bewegingsprogramma (Bouchard, 1994).

Gezin  

Het gezin waarin je opgroeit heeft een grote invloed op je levensstijl. Gezinsleden hebben gelijkaardige eetgewoonten en bewegingsgewoonten   

Leefstijl 

Voeding en Eetgedrag  

Voeding kan tot obesitas leiden als men te veel eet en/of vooral hoogcalorische voedsel eet.  Door leken wordt daardoor vaak gedacht dat mensen met obesitas schuld dragen aan hun toestand, of een ‘zwakke’ persoonlijkheid hebben met weinig controle over wat en hoeveel ze eten.    

Deze stigma’s zijn wijdverspreid, en contraproductief. De factoren die ons eetgedrag beïnvloeden zijn vaak minder controleerbaar dan we denken. Men heeft ook aangetoond dat er verschillende soorten eetpatronen onderliggend zijn aan obesitas, waarvan eentje net wordt gekenmerkt door een erg strikte controle over voeding en eetgedrag. Meer weten? (zie ook “eetpatronen en eetstijlen als pathway voor de ontwikkeling van obesitas).     

Beweeggedrag  

Idealiter zou een volwassene wekelijks 150 minuten fysiek actief moeten zijn aan een matige intensiteit of 75 minuten actief aan een hoge intensiteit. Bovendien wordt er aangeraden om zitten regelmatig te onderbreken door recht te staan of rond te stappen. Te weinig fysieke activiteit of een sedentaire levensstijl verhoogt  het risico op overgewicht en obesitas. 

–Stress   

Stress kan ertoe leiden dat men voedsel met hoge calorische waarden gaat eten. Op die manier kunnen externe factoren die stress veroorzaken ook onrechtstreeks een invloed hebben op gewichtstoename.    Recente studies lijken ook te suggereren dat een verhoging van het stresshormoon cortisol in het bloed rechstreeks samenhangt met een gewichtstoename.

–Slaaphygiëne  

Niet genoeg slapen kan leiden tot veranderingen in hormonen die honger kunnen vermeerderen. Als je moe bent ga je ook meer zin hebben in calorierijke voeding.   

Fysieke oorzaken: ziekten of medicatie   

Sociale en economische factoren  

Dit zijn o.a. factoren zoals geen (veilige) of beperkte mogelijkheden tot fysieke activiteit, geen toegang hebben tot (betaalbare) gezonde voeding.      

4. Eetpatronen en eetstijlen als pathway voor ontwikkeling van obesitas   

Men kan drie type eetstijlen onderscheiden die de ontwikkeling van obesitas mogelijk in de hand werken: lijngericht eten, emotioneel eten en externe eten. Hoewel deze eetstijlen bij elk van ons in meerdere of mindere mate aanwezig zijn en niet problematisch hoeven te zijn, is het bij de behandeling van obesitas belangrijk om na te gaan welke van deze eetstijlen een rol spelen in de problematiek van de patiënt. Niet weten welke eetstijl aanwezig is, kan contraproductieve adviezen met zich meebrengen: iemand met een lijngerichte eetstijl op een restrictief dieet zetten, zou verstoord eetgedrag kunnen verstreken, met alle lichamelijke en psychische gevolgen van dien.    

4.1. Lijngerichte eetstijl 

Mensen met een lijngerichte eetstijl zijn mensen die sterk bezig zijn met wat en hoeveel ze (mogen) eten.  Men negeert daarbij vaak honger- en verzadigingssignalen. Wat en hoeveel men probeert te eten, wordt voornamelijk cognitief bepaald, vanuit zelfopgelegde rigide dieetregels.  De controle is vaak zo rigide dat deze moeilijk vol te houden is. Periodes van strikt diëten worden daardoor afgewisseld met periodes waarin er gecompenseerd wordt voor wat daarvoor ‘niet mocht’. Dit kan zelfs leiden tot eetbuien die op lange termijn tot een gewichtstoename kunnen leiden.   

4.2. Emotionele eetstijl 

Personen met een emotionele eetstijl gebruiken voeding als een manier om met emoties of stressvolle momenten om te gaan. Men gebruikt voeding om de aandacht af te leiden van de negatieve emoties.  

Ook een uitgesproken emotionele eetstijl kan een risicofactor zijn voor eetbuien, bv. wanneer emoties een eetbui triggeren. Een schadelijke vicieuze cirkel kan ontstaan als gewichtstoename, lichaamsontevredenheid, eetbuien, schuldgevoelens en eetbuien uitgelokt door de schuldgevoelens elkaar afwisselen. Het spreekt voor zich dat binnen een effectieve obesitasbehandeling een emotionele eetstijl aan bod dient te komen.   

4.3. Externe eters   

Personen met een externe eetstijl zijn bijzonder gevoelig voor externe prikkels die ons eetgedrag sturen, zoals geur, smaak en uitzicht van voedsel, i.t.t. interne signalen van honger- en verzadiging.  Bijvoorbeeld: het zien van koffiekoeken in de etalage van de bakker geeft zin om deze te eten, ook al komen we net van tafel. 

5. Behandeling van overgewicht/obesitas   

Een goede behandeling van obesitas vraagt maatwerk met een goede inschatting van de oorzaken, instandhoudende factoren en gevolgen van obesitas door verschillende gespecialiseerde disciplines: artsen, diëtisten, kinesitherapeuten, psychologen enz. Gezamenlijk komen zij tot een behandelplan dat in de eerste plaats gericht is op gezondheidswinst en waarbij  gewichtsverlies een bijkomend behandeldoel kan zijn.

Sharma en Kushner (2009) ontwikkelden het Edmonton Obesity Staging System (EOSS) dat vertrekt van een brede gezondheidsinschatting om de ernst van het overgewicht in te schatten. Op basis van dit classificatiesysteem kan er beslist worden welke interventies voor een bepaalde persoon wenselijk zijn. De EOSS gebruikt daarvoor een gezondheidsinschatting die bepaald wordt op basis van het medisch risico, psychologisch functioneren, welbevinden en functionele beperkingen. Onderzoek toont aan dat deze gezondheidsinschatting een betere voorspelling geeft van het mortaliteitrisico van een bepaald persoon dan BMI alleen (Kuk, Ardern, Church, Sharma, Padwal, Sui, & Blair, 2011; Padwal, Pajewski, Allison, & Sharma, 2011). De fiche “zorgpad obesitas“ geeft een overzicht van de stadia van de EOSS.  

5.1. Focus op snel gewichtsverlies is niet realistisch   

Hoewel heel wat modediëten het absolute wondermiddel voor gewichtsverlies beloven, is er tot op heden geen methode die snel en langdurig een groot gewichtsverlies kan garanderen (Mann, Tomiyama, Westling, Lew, Samuels & Chatman, 2007; Miller, 1999). Studies tonen keer op keer aan dat hoewel mensen op korte termijn heel wat gewicht kunnen verliezen door middel van een bepaald dieet (Miller, 1999), zij op lange termijn weer in gewicht toenemen en mogelijk zelfs meer kilo’s winnen dan zij oorspronkelijk verloren waren. Deze resultaten zijn niet zo moeilijk om te geloven, rekening houdend met de fysiologische en psychologische gevolgen die diëten hebben: stijging in eetlustopwekkend hormoon (Greenway, 2015), daling in de ruststofwisselingssnelheid (Greenway, 2015), aandachts- en cognitieve processen (Piech, Pastorino, & Zald, 2010; Placanica, Faunce, & Soames Job, 2002; Greenway, 2015) gericht op voeding en de bevrediging die eten/voeding geeft. Het zijn die veranderingen die gewichtsbehoud na een dieet bijzonder moeilijk maken, en het bekende ‘jojo-effect’ geven.   

5.2. Focus op gewichtsverlies bestendigt risicofactoren   

Het willen veranderen van het uiterlijk en uitzicht van het eigen lichaam is vaak één van de redenen waarom men start met rigide diëten, het strikt controleren van wat en hoeveel men eet. Onvrede met het eigen lichaam dient vaak als een belangrijke motivator om gedragingen en gewoonten te installeren die op lange termijn schadelijke gevolgen kunnen hebben (gewichtstoename en/of eetstoornissymptomen). Door bij de behandeling van overgewicht/obesitas opnieuw de pijlen te richten op gewicht en daarbij onrechtstreeks op hoe het lichaam eruitziet, wordt onvrede met het eigen lichaam in stand gehouden en in het slechtste geval zelfs bekrachtigd. Een behandeling kan er nooit op gericht zijn om datgene aan te moedigen dat er mogelijk in de eerste plaats voor zorgde dat het probleem tot stand kwam.    

5.3. Gezonde veranderingen in leefstijl hebben significante gezondheidseffecten, met of zonder gewichtsverlies   

Via een leefstijlbehandeling kan een gewichtsverlies van 5 à 10% bereikt worden. Onderzoek toont aan dat je gezondheid verbetert bij het aanbrengen van gezonde leefstijlgewoonten, ongeacht of er gewichtsverlies optreedt (Caudwell, Hopkins, King, Stubbs, Blundell, 2009).  Indien een gezonde leefstijl gepaard gaat met gewichtsverlies, is de kans groter dat dit gewichtsverlies behouden blijft, in tegenstelling tot een streng modedieet. Een leefstijlverandering kan men namelijk zoals de naam zegt, een leven lang volhouden .    

5.4. Het belang van lichaamstevredenheid    

Ook het belang van lichaamstevredenheid is niet te onderschatten. Onderzoek toont aan dat zij die tevreden zijn over hun gewicht/lichaam zich meer engageren in gezondheidsgedrag ongeacht hun BMI (Blake, Hébert, Lee, Adams, Steck, Sui, Kuk, Baruth & Blair, 2013) en zo op lange termijn medische risico’s kunnen beperken (Cernelic-Bizjak, Jenko-Praznikar, 2018; Wirth, Blake, Hébert, Sui, Blair, 2014). Ander onderzoek toonde aan dat zij die positief stonden ten opzichte van hun lichaam er beter in slaagden om een jaar later hun gewicht te behouden (Gagnon-Girouard, Begia, Provencher et al, 2010).    

Samenvattend:Het is oneerlijk om mensen een doel (snel en sterk gewichtsverlies) te laten nastreven dat niet realistisch is en dat mogelijk allerlei schadelijke gevolgen heeft (risico op eetstoornissen (Schaumberg, Anderson, Anderson, et al, 2016)), sterkere gewichtstoename (Neumark-Sztainer, Wall, Story & Standish, 2012), stigmatisering (Puhl & Heuer, 2009)). Daarom zijn verschillende onderzoekers/experten dan ook stellig: zij vinden het onethisch om vermageringsdiëten en snel gewichtsverlies te promoten (Bacon & Aphramor, 2011). Het alternatief is hulpverlening die gericht is op het promoten van zowel gezondheidsverbetering als lichaamstevredenheid, waar duurzaam gewichtsverlies een gevolg van kan zijn. Doordat leefstijlverandering tot een verbetering van gezondheid leidt, ongeacht gewichtsverlies, en ook lichaamstevredenheid een belangrijk factor is om gedragsverandering vol te houden, is hulpverlening die gericht is op het promoten van gezondheid en lichaamstevredenheid effectiever en tegelijkertijd voor niemand schadelijk.      

6. De rol van gewichtsdiscriminatie en  - stigmatisering   

Zie ook: Stigmatisering en respectvolle communicatie

Lees meer

Referenties

Bacon L, Aphramor L. (2011). Weight science: evaluating the evidence for a paradigm shift. Nutrition Journal,10(9).  

Barry, V.W., Baruth, M., Beets, M.W., Durstine, J.L., Liu, J., Blair, S.N. (2014). Fitness vs. Fatness on All-Cause Mortality: A Meta-Analysis. Progress in Cardiovascular Diseases. 56(4), 382-390.  

Blake, C.E., Hébert, J.R., Lee, D., Adams, S.A.,  Steck, S.E.,  Sui, X., Kuk, J.L.,  Baruth, M. & Blair S.N. (2013). Adults with Greater Weight Satisfaction Report More Positive Health Behaviors and Have Better Health Status Regardless of BMI. Journal of Obesity, 1-13.

Blüher, S. & Schwarz, P. (2014). Metabolically healthy obesity from childhood to adulthood- Does weight status alone matter? Metabolism, 63(9), 1084-1092.  

Bouchard, C., Tremblay, A., Despres, J-P. et al. (1990). The response to long-term overfeeding in identical twins. The New England Journal of Medicine, 322. 1477-1482.

Bouchard, C., Trembaly, A., Despres, J-P., et al (1994). The response to exercise wit constant energy intake in identical twins. Obesity Research, 2, 400-410.

Caudwell, P., Hopkins, M., King, N.A., Stubbs, R.J., & Blundell, J.E. (2009). Exercise alone is not enough: weight loss also needs a healthy (Mediterranean) diet? Public Health Nutrition, 12, 1663-1666. 

Cernelic-Bizjak, M., Jenko-Praznikar, Z. (2018). Body dissatisfaction predicts inflammatory status in asymptomatic healthy individuals. Journal of Health Psychology, 23(1), 25-35.  

Custers, K. (2015). The urgent matter of online pro-eating disorder content and children: clinical practice.  European Journal of Pediatrics. 174(4),429-33.

Fardouly, J., & Vartanian, L. R. (2016). Social media and body image concerns: Current research and future directions. Current Opinion in Psychology, 9, 1–5.

Gagnon-Girouard, M-P., Begin, C., Provencher, V., Tremblay, A., Mongeau, L., Boivin, S., Lemieux, S. (2010). Psychological Impact of a “Health-at-Every-Size” Intervention on Weight-Preoccupied Overweight/Obese Women. Journal of Obesity, 2010, 1-13. 

Greenberg, B.S.,  Eastin, M.,  Hofschire, L.,  Lachlan, K.,  Brownell, K.D. (2003). Portrayals of Overweight and Obese Individuals on Commercial Television. American Journal of Public Health.  93(8):1342-8.

Greenway, F.L. (2015). Physiological adaptations to weight loss and factors favouring weight regain. International. Journal of Obesity, 39, 1188–1196.

Herbozo, S., Tantleff-Dunn, S., Gokee-Larose, J. & Thompson, J.K. (2004). Beauty and thinness messages in children’s media: a content analysis. Eating Disorders, 12(1), 21-34.

Kuk, J.L., Ardern, C.I., Church, T.S., Sharma, A.M., Padwal, R., Sui, X. & Blair, S.N. (2011). Edmonton Obesity Staging System: association with weight history and mortality risk.Applied Physiology, Nutrition, and Metabolism, 36(4), 570-576.

Lavie, C., De Schutter, A. & Milani, R. (2015). Healthy obese versus unhealthy lean: the obesity paradox. Nature Reviews Endocrinology, 11, 55–62. 

Lin, H., Zhang, L., Zheng, R., Zheng, Y. (2017). The prevalence, metabolic risk and effects of lifestyle intervention for metabolically healthy obesity: a systematic review and meta-analysis, a PRISMA-compliant article. Medicine, 96(47).   

Mann, T., Tomiyama A.J., Westling, E., Lew, A.M., Samuels B., Chatman, J. (2007). Medicare’s Search for Effective Obesity Treatments: Diets Are Not the Answer. American Psychologist, 62, 220-233. 

Miller, W.C. (1999). How effective are traditional dietary and exercise interventions for weight loss? Medicine & Science in Sports & Exercise, 31, 1129-1134. 

Neumark-Sztainer, D., Wall, M., Story, M., & Standish, A. R. (2012). Dieting and Unhealthy Weight Control Behaviors During Adolescence: Associations With 10-Year Changes in Body Mass Index. Journal of Adolescent Health, 50(1), 80–86.

Ortega, F.B.; Cadenas-Sanchez, C.; Migueles, J.H.; Labayen, I.; Ruiz, J.R.; Sui, X.; Blair, S.N.; Martinez-Vizcaino, V.; Lavie, C.J. (2018). Role of Physical Activity and Fitness in the Characterization and Prognosis of the Metabolically Healthy Obesity Phenotype: A Systematic Review and Meta-analysis. Progress in Cardiovascular Diseases.  61, 190–205. 

Padwal, R.S., Pajewski, N.M., Allison, D.B., & Sharma, A.M. (2011). Using the Edmonton obesity staging system to predict mortality in a population-representative cohort of people with overweight and obesity.  The Canadian Medical Association Journal, 183(14).

Piech, R. M., Pastorino, M. T., & Zald, D. H. (2010). All I saw was the cake. Hunger effects on attentional capture by visual food cues. Appetite54(3), 579–582.  

Placanica, J. L., Faunce, G. J., & Soames Job, R. F. (2002). The effect of fasting on attentional biases for food and body shape/weight words in high and low Eating Disorder Inventory scorers. International Journal of Eating Disorders32(1), 79–90.  

Puhl R.M., & Heuer C.A. (2009). The stigma of obesity: a review and update. Obesity, 17(5),941–964.  

Schaumberg, K., Anderson, D., Anderson, L. et al (2016). Dietary restraint: what’s the harm? A review of the relationship between dietary restraint, weight trajectory and the development of eating pathology. Clinical Obesity, 6, 89-100. 

Sharma, A.M. & Kushner, R.F. (2009). A proposed clinical staging system for obesity. International Journal of Obesity, 33(3), 289-295.

Thomas, E.L., Parkinson, J.R., Frost, G.S., Goldstone, A.P., Doré, C.J., McCarthy, J.P., Collins, A.P., Fitzpatrick, J.A., Durighel, G., Taylor-Robinson, S.D., Bell, J.D. (2012). The missing risk: MRI and MRS phenotyping of abdominal adisposity and ectopic fat. Obesity, 20(1),76-87. 

Tomiyama, A.J., Hunger, J. M., Nguyen-Cuu, J., & Wells, C. (2016). Misclassification of cardiometabolic health when using body mass index categories in NHANES 2005–2012. International Journal of Obesity, 40, 883–886. 

Wirth, MD, Blake, CE, Hébert, JR. (2014) Chronic weight dissatisfaction predicts type 2 diabetes risk: Aerobic center longitudinal study. Health Psychology, 33, 912–919. 

Lees meer

Terug naar de overzichtspagina