Vegetarisme en eetstoornissen

Vegetarisme en eetstoornissen

Amerikaanse onderzoekers van het Project EAT (Eating Among Teens) gingen bij 2516 adolescenten en jongvolwassenen (15 tot 23 jaar) na of vegetarisme een verband had met gewichtscontrole en diëten (Robinson-O’Brien et al., 2009). Van de onderzochte groep waren gegevens bekend van vijf jaar tevoren in verband met voedingsgewoonten en gewicht. Zij die vroeger vegetarisch aten (10,8%) of dit nu nog deden (4,3%) werden vergeleken met de groep die nooit vegetariër waren geweest (84,9%). Bovendien werd een onderscheid gemaakt tussen adolescenten (15-18 jaar) en jongvolwassenen (19-23 jaar).

Vergeleken met niet-vegetariërs bleken vegetariërs meer eetbuien met controleverlies te vertonen. Van de jongeren die vroeger vegetariër waren geweest, maakte een groter percentage gebruik van ongezonde methoden om het gewicht te beheersen, zoals vermageringspillen, laxeermiddelen en braken. Dit was nog meer het geval bij de jongvolwassenen met een voorgeschiedenis van vegetarisch eten. Bij de adolescenten werd geen verschil in gewicht gevonden, maar bij de jongvolwassenen hadden de vegetariërs een lagere body mass index dan de niet-vegetariërs. Er werden geen verschillen gevonden in de mate van sportbeoefening of regelmatige fysieke activiteit.

Dit onderzoek roept meerdere vragen op. Opvallend is dat heel wat jongeren slechts een tijd vegetariër zijn en daarna stoppen. Wat zijn hiervoor de motieven? De onderzoekers bevelen aan om de beweegredenen nauwkeuriger te bestuderen. We vermelden hier zo’n verkennend onderzoek.


Onderzoek over het verband tussen vegetarisme en anorexia nervosa

Het onderzoek werd uitgevoerd bij 31 vrouwen opgenomen in het gespecialiseerd behandelingsprogramma voor eetstoornissen van de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen te Tienen (Deprez, 2002). De onderzoeksgroep (gemiddeld 21,2 jaar) bestond grotendeels (74.2%) uit patiënten met anorexia nervosa en verder uit patiënten met de diagnose eetstoornis niet anderszins omschreven (atypische eetstoornissen).

Om te peilen naar de kenmerken van vegetarisme bij anorexiapatiënten werd in een gestructureerd interview gevraagd naar de aard van de eetgewoonten, het moment van overgang naar vegetarisme, de redenen, de reactie van de omgeving en de gewenste eetgewoonten in de toekomst (tijdens en na de behandeling). Tijdens de opname hadden patiënten de vrije keuze tussen vegetarisch en niet-vegetarisch voedsel (van gelijke calorische waarde). In deze proefgroep was 50% op het moment van onderzoek vegetariër, alhoewel 87% van de geïnterviewde vrouwen aangaf ooit een periode vlees geschrapt te hebben van het menu. Deze percentages (die overeenkomen met de resultaten van andere onderzoeken) liggen aanmerkelijk hoger dan de 10% in een vergelijkbare gezonde populatie. Bij personen met een eetstoornis blijkt dat zowel de meer als minder restrictieve vormen van vegetarisme voorkomen.

De overschakeling op een vegetarisch eetpatroon verliep meestal in verschillende fasen, verspreid over de tijd. In een eerste stap werd vlees geschrapt, soms met uitzondering van kip. Daarna volgde veelal het weglaten van vis. De gegevens uit de steekproef wijzen vooral op de betekenis van vegetarisme als onderhoudende, bestendigende factor van een eetstoornis en niet meteen als oorzakelijke factor. Het merendeel van de vegetarische patiënten (68.8%) schakelde pas over op een vegetarisch eetpatroon nadat ze reeds aan het vermageren waren. Een vierde van de betrokken patiënten ontwikkelde pas een eetstoornis, nadat men al een periode vegetarisch at. In het onderzoek werden vooral dierenwelzijn (57.1%) en gewichtscontrole (42.9%) genoemd als redenen voor de aanname van een vegetarisch eetpatroon. Gewichtscontrole als motivatie werd enkel aangehaald door deelnemers die pas na het vermageren vegetariër zijn geworden. Vegetarisme was bij hen vermoedelijk een extra manier om de controle op de calorie-inname te vergroten en dus minder calorieën in te nemen. De ouders van deze patiënten reageerden dan ook negatief op deze overschakeling naar een vegetarisch eetpatroon. De reacties van partners en vrienden werden vaker als neutraal omschreven ofwel werd ‘geen reactie’ gerapporteerd.

Tijdens de opname bleef 92.9% van de vegetarische patiënten vegetarisch eten. Bijna iedereen van deze groep verschoof wel in de richting van een evenwichtig en gezond vegetarisch eetpatroon. Dat wil zeggen: grotere porties met meer variatie, de inname van vleesvervangers en een overgang naar een minder strenge vorm van vegetarisme. De ouders die voorheen kritisch waren, reageerden nu veelal positief op de ‘verantwoorde’ vegetarische keuze. Dit hield wellicht verband met het feit dat de vegetariërs er even goed als de niet-vegetariërs in slaagden om tijdens de opname het nodige gewichtsherstel te bereiken. Bij de patiënten met een eetstoornis die aangaven al vegetarisch te eten voordat ze vermageren, werden vooral dierenwelzijn en smaakargumenten aangehaald ter staving van hun vegetarische keuze. Een aantal gaf aan te zijn veranderd van ‘gezond’ naar ‘ongezond’ vegetarisme, wat wijst in de richting van vegetarisme als risicofactor bij een eetstoornis. De vegetarische patiënten met een eetstoornis vertoonden in dit onderzoek geen ernstigere of andere kenmerken van eetstoornissen dan de niet-vegetarische patiënten. Hierbij moet men wel in acht nemen dat het om reeds ernstige vormen van anorexia nervosa ging, aangezien de patiënten allen opgenomen waren.

Referenties

Deprez, A. (2002). Vegetarisme als dekmantel van anorexia nervosa? Psychopraxis, 4, 140-143.

Robinson-O’Brien, R., Perry, C. L., Wall, M. M., Story, M., & Neumark-Sztainer, D. (2009). Adolescent and young adult vegetarianism: better dietary intake and weight outcomes but increased risk of disordered eating behaviors. Journal of the American Dietetic Association, 109, 648-655.