Rechtlijnig advies omtrent rijvaardigheid bij eetstoornis is niet voorhanden. Wel is volgens de Belgische wetgeving (KB 23 maart 1998) een arts verplicht om patiënten te informeren over de mogelijke impact van hun aandoening en eventuele medicatie op de rijvaardigheid. In veel gespecialiseerde zorgsettings wordt dit ook expliciet opgenomen bij een opname.
De klinische inschatting van de arts speelt hierin een cruciale rol. Bepaalde situaties maken het duidelijk dat iemand tijdelijk niet rijvaardig is, bijvoorbeeld: bij flauwvallen (syncopes), bij bradycardie ten gevolge van ondergewicht, bij ernstige lichamelijke verzwakking of bij cognitieve of concentratieproblemen.
Het is belangrijk om te benadrukken dat BMI alleen geen voldoende criterium is. De evolutie van het gewicht (bijvoorbeeld snel gewichtsverlies versus een laag maar stabiel gewicht) en de algemene medische toestand zijn minstens even belangrijk.
Soms kan de vraag naar rijvaardigheid ook een therapeutische ingang bieden. Ze kan helpen bij erkenning van de ernst van de situatie en een hefboom bieden tot motivatie voor gedragsverandering en behandeling.
In uitzonderlijke gevallen kan een arts doorverwijzen naar het VIAS | Rijgeschiktheidscentrum CARA) voor een onafhankelijke evaluatie van de rijgeschiktheid. Dit gebeurt eerder zelden en enkel bij complexe situaties, zoals bij langdurig gebruik van psychotrope medicatie (bv. bij psychose of ernstige depressie). Bij ernstige eetstoornissen zal meestal eerst ingezet worden op het verminderen van gezondheidsrisico’s.