Eetgedrag in de context van een ruimer groeiverhaal

Op deze pagina vind je informatie over de ontwikkeling van eetgedrag. Hoe kan je dit plaatsen in de context van een ruimer groeiverhaal? Hoe verloopt de normale ontwikkeling van eetgedrag? En welke eetvaardigheden kun je nastreven als onderdeel van competent eetgedrag en een gezonde leefstijl?

Groeien doen we ons hele leven! Van prille babyfase tot volwassenheid en verder. Gedurende ons hele leven worden we geconfronteerd met uitdagingen die ons helpen leren en ontwikkelen. Als kleintjes leren we stap voor stap de wereld om ons heen te begrijpen: van het ontdekken van ons eerste hapje tot het uitspreken van onze eerste woordjes.  

Naarmate we ouder worden, komen er nieuwe uitdagingen op ons pad. Van leren lezen en schrijven tot het ontwikkelen van een eigen identiteit en het opbouwen van evenwichtige relaties.  

Tijdens de adolescentie maken jongeren diverse vormen van groei door. Er is de fysieke groei, gekenmerkt door een stevige groeispurt. Er is ook de sociale groei waarbij ze zich loslaten maken van hun ouders en aansluiting zoeken bij leeftijdsgenoten. Ze maken ook een psychologische groei door met de ontwikkeling van een evenwichtig zelfbeeld en identiteit en tenslotte is er de emotionele groei waarbij ze leren omgaan met nieuwe en intense emoties.  

Groeien kan dus spannend zijn, vooral wanneer jongeren proberen om te gaan met de snelle veranderingen in hun lichaam en de intensere emoties. Deze periode kan onzekerheid met zich meebrengen voor zowel jongeren als ouders. Een groeispurt vraagt bijvoorbeeld om extra energie en veranderingen in eetgewoonten wat tot twijfels kan lijden. Het is daarom begrijpelijk dat eetproblemen en eetstoornissen typisch in de adolescentie ontstaan.

Fysieke groei

Tussen de leeftijd van 10 tot 15 jaar ervaren de meeste jongeren een opvallende groeispurt. Deze periode wordt sterk beïnvloed door hormonen wat leidt tot veranderingen in hun uiterlijk en soms voor spanning zorgt. Meisjes worden bijvoorbeeld ronder doordat ze vet op heupen, billen en borsten ontwikkelen. Hierdoor kunnen ze zich zorgen maken dat ze ‘te dik’ worden. Bij jongeren daalt het vetpercentage wat sommigen onzeker maakt over hun spiermassa.  

Tijdens deze groeispurt hebben jongeren tijdelijk meer energie nodig, wat resulteert in een grotere eetlust. Dit kan verwarrend zijn en jongeren (en ook ouders) kunnen zich afvragen of het wel normaal is om zoveel te eten bij elke maaltijd. Het is belangrijk dat ze hun eetlust kunnen toelaten en zelf leren afstemmen op de hoeveelheid energie die hun lichaam nodig heeft.  

Deze groeispurt heeft ook invloed op hun lichaamsbeleving. In korte tijd verandert hun lichaam drastisch en moeten velen wennen aan deze veranderingen. Het lichaam is niet meer zoals ze gewend waren en verschilt vaak van de schoonheidsidealen die sterk worden gepromoot. Het accepteren van hun unieke lichaam en van zichzelf houden, ondanks eventuele verschillen, vormt voor velen een uitdaging. 

Sociale groei

Tijdens de adolescentie wordt de leefwereld van jongeren aanzienlijk groter: ze maken de overstap naar de middelbare school, vaak in een ander dorp of stad, ze krijgen smartphones waarmee ze in contact kunnen komen met de wijde wereld, hechten steeds meer belang aan vriendschappen. Tegelijkertijd zoeken tieners naar een andere vorm van contact met hun ouders, wat soms voor spanning en stress kan zorgen.  

Het verwerven van meer zelfstandigheid, het leren omgaan met leeftijdsgenoten en verschillende meningen, en het leren omgaan met internet en sociale media, kunnen uitdagend zijn. In deze periode kunnen thema’s rondom eten en gewicht opspelen. Leeftijdsgenoten en sociale media kunnen te veel nadruk leggen op het belang van uiterlijk, wat kan leiden tot de illusie dat ‘er goed uitzien’ het allerbelangrijkste is. Bovendien kan de informatie die ze uit de wijde wereld oppikken hen in de verkeerde richting sturen op het gebied van voeding en bewegen. Sommige jongeren kunnen gaan experimenteren met het vermijden bepaalde voedingsmiddelen, het volgen van strenge diëten of het extreem veel gaan bewegen. Hoewel experimenteren op zichzelf normaal is, kan het ook een risico vormen.

Psychologische groei

Het ontwikkelen van ons zelfbeeld en identiteit begint al in de lagere school en wordt belangrijker tijdens de puberteit en adolescentie. In deze periode bouwen jongeren hun zelfbeeld op door zich te vergelijken met anderen waarbij de meningen van leeftijdsgenoten heel belangrijk worden. Dit kan een uitdagende periode zijn, vooral omdat de fysieke en psychologische veranderingen onzekerheid kunnen veroorzaken. Vaak neigen ze ertoe om zichzelf selectief te vergelijken waarbij ze gaan focussen op de successen van anderen het falen van zichzelf.   

Het opbouwen van een eigen identiteit gebeurt door te experimenteren en zich in verschillende mate te binden aan bepaalde keuzes. Ze springen van de ene vriendengroep naar de andere, bijvoorbeeld van fashionista tot klimaatactivist. Dit proces is van cruciaal belang omdat het hen helpt ontdekken wat ze leuk en belangrijk vinden. Zo kunnen ze verkennen wie ze kunnen en willen zijn en welk pad ze willen bewandelen. Een gezond zelfbeeld en identiteit bestaan uit verschillende thema’s en domeinen zoals ‘ik hou van sport’, ‘ik vind er goed uitzien belangrijk”, “ik ben graag in de natuur”.  

Sommige jongeren zoeken naar meer houvast om met de druk en spanningen in hun leven om te gaan. Ze kunnen hun identiteit bijvoorbeeld sterk verbinden aan één aspect, zoals hun uiterlijk en/of gewicht, in de overtuiging dat ‘als ik mooi ben, alles goed komt’. Wanneer ze zich op dit ene aspect richten, kan er weinig ruimte overblijven om andere aspecten van zichzelf te verkennen. 

Helaas leidt een te sterke focus op één domein niet tot een stabiel zelfbeeld. Als ze niet voldoen aan hun eigen verwachtingen op dat ene gebied, hebben ze niets anders om op terug te vallen. Dit kan resulteren in een toenemende starheid om dat ene aspect vast te houden, waardoor ze minder bereid zijn andere aspecten van hun identiteit te ontdekken. Een sterke nadruk op uiterlijk en gewicht kan er ook toe leiden dat jongeren overmatige nadruk gaan leggen op voedings-, dieet- en beweegregels om hun lichaam te veranderen.

Emotionele groei

Tijdens de adolescentie ontwikkelen de emotionele regio’s van ons brein onder invloed van hormonale veranderingen. Dit kan een uitdaging vormen omdat jongeren vaak nog niet weten hoe ze met deze sterke emoties moeten omgaan. De ontwikkeling van de emotionele regio’s vindt immers sneller plaats dan de ontwikkeling van het rationele brein. Hierdoor kunnen ze zich opnieuw heel onzeker voelen omdat ze de emotionele reacties soms niet goed begrijpen of kunnen beheersen.  

In reactie hierop kunnen sommige jongeren naar voedsel grijpen als een manier om met hun emoties om te gaan. Ze kunnen bijvoorbeeld in de keukenkasten gaan snuffelen op zoek naar koekjes of snoepjes om troost te vinden in voedsel. Het is belangrijk om belangrijk om te begrijpen dat dit op zichzelf niet problematisch hoeft te zijn, zolang het niet de enige manier is waarop jongeren met hun emoties omgaan en ze ook evenwichtige strategieën leren kennen en toepassen.

Eetvaardigheden: wat is competent eetgedrag?

Tot voor kort lag de nadruk bij het bespreken van competent eetgedrag voornamelijk op het ‘wat’ en ‘hoeveel’ van onze voeding. Echter, competent eetgedrag omvat zoveel meer dan dat, en een overmatige focus op wat en hoeveel we eten kan juist leiden tot een gespannen sfeer. Competent eetgedrag bestaat uit vier essentiële eetvaardigheden, ook wel bekend als de ‘4 G’s’: gevarieerd eten, genoeg eten volgens onze individuele groeibehoefte, het regelmatig inplannen van maaltijden gedurende de dag, en ten slotte, met plezier genieten van eten.  

Het concept van competent eetgedrag, dat rust op de vier eetvaardigheden, wordt ook wel ‘afwisselend eetgedrag’ genoemd. Dit vormt één van de vijf pijlers van de ‘ALLES’-kapstok die we gebruiken om een gezonde leefstijl na te streven. 

Eetvaardigheden in ontwikkeling

De eetvaardigheden zien er anders uit voor een kleuter als voor een puber en worden in het opgroeien steeds weer op een andere manier uitgedaagd:  

GEREGELD eten

Peuter

De eetstructuur wordt vanaf deze leeftijdsfase door de ouders of steunfiguren bepaald (en dus niet meer door het kind zelf, zoals tijdens de zuigelingfase). De peuter krijgt meerdere maaltijden per dag, op min of meer vaste tijdstippen, zodat het kind niet de hele dag door eet. 

Kleuter

Voor kleuters is het eveneens belangrijk om op vaste tijdstippen te eten. Het kind leert zo dat er niet op elk moment van de dag gegeten wordt, en leert de sequens honger-eten-verzadiging kennen. De maaltijd wordt bij voorkeur aan tafel genuttigd, zonder afleiding van spel of televisie. 

Lagere schoolkind

Kinderen eten wanneer ze de gelegenheid krijgen, dus een min of meer vaste structuur aanbieden is belangrijk en bestaat uit 3 hoofdmaaltijden en 2 à 3 tussendoortjes. Op de lagere schoolleeftijd worden kinderen gevoeliger aan externe voedselprikkels zoals geur en uitzicht en ook de beschikbaarheid van voeding beïnvloedt de voedingsinname. 

Adolescent

Adolescenten streven naar autonomie, ook op vlak van voeding. Voedingskeuzes maken deel uit van de identiteit van de adolescent en hebben vaak een centrale rol in sociale contacten en in de verbondenheid met vrienden. Dit kan zorgen voor uitdagingen op het vlak van maaltijdstructuur: bv. experimenteren door het overslaan van het ontbijt, regelmatig snacken en snoepen, … Uit een studie bij Vlaamse adolescenten blijkt dat op 11- tot 12-jarige leeftijd nog 80,5% van de jongens en 78,5% van de meisjes dagelijks ontbijt. In de leeftijdsgroep van 17- tot 18-jarigen is dit nog slechts 57,6% en 59,8% [42]. Tijdens de groeispurt zal de adolescent in het algemeen meer honger ervaren en meer eten. Hierbij is het van belang dat de jongere niet de hele dag door aan het snacken is om aan die verhoogde behoefte tegemoet te komen. Bezorgdheden rond lichaamsvormen en lijngedrag kunnen toenemen, wat zich eveneens kan uiten in de maaltijdstructuur: bv. maaltijden overslaan 

GENIETEND eten 

Lagere schoolkind

Zorgen over het lichaamsgewicht en de lichaamsvormen kunnen al optreden in de lagere school. 

Adolescent

Bezorgdheden rond lichaamsvormen en lijngedrag nemen toe met de leeftijd [42], mede door (sociale) media-invloeden. De druk van het schoonheidsideaal neemt toe. Dit kan zich uiten in lijn- of dieetgedrag: calorieën tellen, maaltijden overslaan, zichzelf voedingsmiddelen verbieden, …. Door ontwikkelingsprocessen reageren adolescenten impulsiever en emotioneler en hebben ze een kortetermijnfocus. Emotioneel eten neemt toe in de adolescentie.  

GEVARIEERD eten

Peuter

De eerste anderhalf à 2 levensjaren zijn cruciaal om het kind in contact te brengen met een wijd gamma aan smaken en voedingsmiddelen. Voedselaanvaarding loopt dan vrij gemakkelijk. Moeilijker eetgedrag rond het einde van het tweede levensjaar is een normale ontwikkelingsfase en kadert binnen neofobie of angst voor onbekend voedsel. Een variatie in uitzicht of textuur kan voor het neofobe kind als ‘onbekend’ aanvoelen.   

Kleuter

Neofobie is nog steeds aanwezig. Kleuters ontwikkelen meer en meer specifieke smaakvoorkeuren Kleuters houden in principe wel van variatie. Steeds opnieuw hetzelfde voedsel wekt minder eetlust op, er ontstaat smaakmoeheid. De balans vinden tussen voldoende eten en variëren in voedingsmiddelen gaat niet automatisch, maar is een leerproces. Kleuters kiezen niet automatisch voor een evenwichtige voeding, ze kiezen wat ze het liefst lusten. Zorgfiguren spelen dan ook een belangrijke rol in het aanbrengen van een gevarieerd smakenpallet vanuit evenwichtige voeding. Welk voedingsmiddel vooral gegeten wordt, hangt af van de andere beschikbare voedingsmiddelen: enerzijds stimuleert variatie/keuze de hoeveelheid die gegeten wordt (bv. kinderen eten meer fruit als er verschillende soorten aangeboden worden, bv. fruitsalade of keuze in vruchten); anderzijds is het ook zo dat als voeding die het kind lekker vindt, samen aangeboden wordt met voedsel dat het kind minder lekker vindt, kinderen hun buikje vooral zullen vullen met wat ze het lekkerst vinden (van daaruit wordt aangeraden om voor de maaltijd of als tussendoortje soep of groenten aan te bieden, zodat deze niet ‘in competitie’ zijn met vlees en aardappelen; er worden uiteraard nog steeds groenten geserveerd bij de warme maaltijd) 

Lagere schoolkind

Neofobie vermindert, maar is niet verdwenen. 

Adolescentie

Neofobie is bij de meeste adolescenten verdwenen, en er bestaat eerder een gerichtheid op uitdagende en nieuwe smaak- en textuurcombinaties. Het smakenpallet breidt zich uit. Adolescenten kiezen vaak voor ‘gemakkelijk’, beschikbaar of aantrekkelijk voedsel. Adolescenten streven naar autonomie, ook op vlak van voeding. Voedingskeuzes maken deel uit van de identiteit van de adolescent en hebben vaak een centrale rol in sociale contacten. Zoals ze met muziek en kledij experimenteren, zo experimenteren adolescenten ook met eten. De ene dag zijn ze vegetariër, de andere dag verkiezen ze junkfood, en nog een andere dag gaan ze voor de mediterrane keuken in alle facetten. 

GENOEG eten

Peuter

De energiebehoefte daalt na het eerste levensjaar. Aangezien peuters in staat zijn om hun eigen energiebehoefte te reguleren, gaat dit gepaard met minder voedingsinname in vergelijking met het eerste levensjaar. Dit kan bezorgdheid geven bij ouders, maar gezien de interne regulatie in principe goed werkt, blijft het kind verantwoordelijk voor de hoeveelheid die het eet. Het bord leegeten is dus niet nodig. 

Kleuter

Kleuters kunnen hun energiebehoefte zelf reguleren. Ondanks hun regulatie van energiebehoefte, eten peuters meer als er grotere porties zijn. Dit geldt zowel voor calorierijke voeding als voor groenten en fruit. Bewust omgaan met aangeboden hoeveelheden is dus aanbevolen. Als kleuters in een fysieke groeifase zitten, hebben ze meer honger, als ze emotionele thema’s verwerken eten ze vaak minder, en als ze moe zijn (bv. kinderen die naar school beginnen gaan) komen ze soms niet meer aan eten toe. 

Lagere schoolkind

Kinderen van lagere schoolleeftijd kunnen hun energiebehoefte minder goed reguleren. Ze eten niet enkel uit honger, maar ook door externe prikkels (geur, smaak, uitzicht van voedsel), en kunnen zelfs lijngericht denken. Een ontwikkelingstaak is leren omgaan met onevenwichtige snacks: kinderen worden op deze leeftijd meer en meer verleid om te eten als ze iets lekkers zien of ruiken, ook al is hun buikje al vol. In de moderne maatschappij worden kinderen voortdurend blootgesteld aan lekkere, maar nutriëntarme, snacks. Net voor de puberteit eten veel lagereschoolkinderen plots meer. Dit is een normale groeifase, gerelateerd aan de groeispurt. 

Adolescent

Pubers groeien op korte tijd snel. Dat vergt extra energietoevoer en dat doet eten. Ze verkennen daarbij op alle vlakken, ook in hun eetgedrag. De toegenomen behoefte wordt best ingevuld door het opschalen van de porties, zonder daarbij voorbij te gaan aan een stabiele maaltijdstructuur. 

Normale ontwikkeling van eetgedrag: de groeiwijzer

Een normale ontwikkeling van eetgedrag gaat gepaard met heel wat uitdagingen. Goede informatie over de normale ontwikkeling van eetgedrag is daarom essentieel. Ongeruste ouders vragen vaak advies in verband met het eetgedrag van hun kind ook vanwege de sterke maatschappelijke focus op eten en gewicht.  

Hieronder vind je een samenvatting van de normale ontwikkeling van het eetgedrag van kinderen. Uitgebreidere informatie kan je terugvinden in het boek Groeiwijzer smaakontwikkeling en eetgedrag” (Eetexpert,2014). De samenvattingsfiche, met tips voor ouders, vind je hier.

Smaakontwikkeling 

Gedurende de eerste 18 levensmaanden zal een kind de meeste voeding zonder problemen aanvaarden. Eén of twee keer proeven, en het volgende hapje wordt met plezier onthaald. Dit komt doordat echte smaakvoorkeuren zich pas op latere leeftijd ontwikkelen. De zuigeling heeft wel een voorkeur voor zoete, romige smaken en smaken die ze leerden kennen tijdens de zwangerschap en borstvoedingsperiode. De eerste levensmaanden zijn een ‘gevoelige periode’ in de smaakontwikkeling, waarin de peuter kennis maakt met een variëteit aan smaken. Tussen 4 en 7 maanden wordt de overgang naar vaste(re) voeding gestart. Dit gebeurt in een aantal fasen. Zachte brokjes worden best geïntroduceerd voor 9 maanden. Na deze periode wordt het een stuk moeilijker om zuigelingen te laten wennen aan niet-vloeibare texturen, en dit is ook zichtbaar in het eetgedrag op latere leeftijd. 

< 1 jaar

Na deze periode is het merendeel van de peuters neofoob, of angstig om nieuwe voedingsmiddelen te proeven. Dit beschermt het kind van ouds tegen vergiftiging. Het kind wordt selectiever, ontwikkelt voorkeuren, én een willetje… Mondje toe is vaak het eerste domein waarmee het experimenteert in zijn nee-fase. Eventuele (tijdelijke) moeilijkheden met eetgedrag en eenzijdige voedselvoorkeuren zijn te situeren in een ruimere ontwikkelingspsychologische context. 

Het is raadzaam om in deze fase niet teveel te focussen op eten, van het tafelen geen strijdtoneel te maken, maar de peuter te helpen in het ontwikkelingsproces. Een nieuwe smaak verschillende keren aanbieden, zonder druk uit te oefenen op het kind, is essentieel om neofobie te overwinnen en het smakenpallet uit te breiden. De zorgfiguren geven aandacht aan wat goed gaat, en verleiden het kind tot smaakexploratie. Hierbij is het essentieel dat het kind niet misselijk wordt na het proeven. Het kind leert voedsel best kennen in zijn normale of basisbereiding, niet zoeter of vetter. Anders wordt het nadien veel moeilijker om de basissmaak te leren eten. Als het kind erg neofoob is, proeft het vaak gemakkelijker van een nieuw voedingsmiddel als dit voedingsmiddel duidelijk herkenbaar is en niet gemengd is met andere voedingsmiddelen. Het kind probeert namelijk te ontdekken of het voedingsmiddel ‘veilig’ is, en dat is moeilijker als het gemengd is met iets anders. 

Peuters

Ook tijdens de kleuter- en lagere-schoolleeftijd blijft een positieve sfeer aan tafel belangrijk. Hoewel kinderen in deze periode spontaan grijpen naar bekend voedsel, raadt men aan hen te blijven uitdagen tot smaakexperimenten. Dit kan onder meer door het kind actief te betrekken bij het klaarmaken van de maaltijd en het kweken van groenten en fruit, en zo hun vertrouwdheid met het voedsel te bevorderen. Het smakenpallet kan zich maar verder ontwikkelen door regelmatig aanbod van een diversiteit aan smaken. Porties hoeven niet groot te zijn; beter kleine en herhaalde proeverijen, in een positieve sfeer. De meeste kinderen hebben een tiental proefbeurten nodig om iets lekker te vinden. Niet te snel opgeven als een kind een bepaald, nieuw voedingsmiddel niet lust is de boodschap. Iedereen blijft zijn hele leven evolueren wat smaken en voorkeuren betreft. Een beloning geven om te proeven is doorgaans niet nodig, en belonen met een dessert wordt afgeraden. Het effect is namelijk dat kinderen het dessert nóg lekkerder gaan vinden, en het nieuwe voedsel net mínder graag lusten. Een dessert kan wel deel uitmaken van de maaltijd, maar wordt beter niet gebruikt in het kader van beloning of straf. 

Kleuters en lagere school

De jongere maakt zich gedeeltelijk los van ouderlijke invloeden en richt zich op leeftijdsgenoten. Zoals ze op vele terreinen grenzen verkennen, doen ze dit ook in hun smaakontwikkeling: smaakcombinaties die nooit eerder geprobeerd werden, worden nu verkend. Het smakenpallet breidt in deze periode sterk uit, door het grotendeels verdwijnen van neofobie en het samen eten met leeftijdsgenoten. Het behoud van regelmatige gezinsmaaltijden spelen in deze periode een belangrijke rol, aangezien jongeren die samen met het gezin eten meer groenten en fruit eten en ook buitenshuis gezondere voedingskeuzes maken.

Middelbare school

Soorten voedsel

Ook de ontwikkeling van voedselvoorkeur evolueert volgens de leeftijd. Peuters en kleuters eten ‘wat de pot schaft’. Tot de leeftijd van drie jaar zorgen ouders/zorgfiguren voor een gedifferentieerd aanbod bij de maaltijden. Rond de leeftijd van drie jaar gaat veel energie naar het schoolgaan, zowel voor ouders als kinderen. Dit kan tijdelijk zorgen voor eenzijdig eetgedrag, zeker als ouders ertoe neigen zich volledig af te stemmen op voorkeursvoedsel van het kind, dan wel het kind verplichten te eten. Geliefde tussendoortjes worden hoofdmaaltijden, of gezinsmaaltijden worden een strijdperk. In deze fase heeft psycho-educatieve informatie aan ouders een belangrijke preventieve waarde: teveel focus op het eetgedrag van een kleuter kan immers een risicofactor zijn voor eet- en gewichtsproblemen op latere leeftijd. Het is hier gepast uitleg te geven over de homeostatische zelfregulatie-capaciteit van kinderen [8]. Rustig blijven, een afwisselende gezins-pot met ook lekkers voor de kleinsten, een regelmatig eetpatroon en voorbeeldgedrag (vader en moeder eten ook alles!) blijken cruciaal in de opvoeding van kleuters aan tafel. 

Peuters en kleuters

Tijdens de lagere-schoolleeftijd, vanaf 6 jaar, eten de meeste kinderen zelfstandig. Ze grijpen zelf naar wat ze graag hebben, en daarin spelen nu ook andere factoren dan honger en verzadiging een rol. Onder meer externe voedselprikkels zoals geur en uitzicht en de beschikbaarheid van lekkere maar onevenwichtige snacks spelen een rol in de voedselinname. Het is dus de ideale leeftijd om kinderen te leren omgaan met snoepmomenten. Het heeft geen zin om snacks en snoep volledig uit het menu te bannen, omdat een verbod hun aantrekkingskracht enkel doet toenemen. Je kan kinderen leren dat deze extraatjes horen bij speciale gelegenheden en dat we ze niet in overvloed moeten eten. Het helpt ook om de calorierijke snacks uit het zicht te bewaren, en niet te veel verschillende soorten in huis te halen. We houden namelijk van afwisseling. We eten meer als we veel verschillende voedingsmiddelen aangeboden krijgen. En dit geldt ook voor ons snoepgoed (bedenk maar eens hoeveel verschillende soorten chocolade er op de markt zijn). Als er maar één soort snoepje in huis is, gaan kinderen hier minder van eten. Meestal gebeuren de maaltijden nog aan de gezinstafel. Dit biedt de mogelijkheid om in een positieve sfeer nieuwe smaken te verkennen. Het blijft belangrijk om proefkansen te bieden en het smakenpallet uit te breiden.

Lagere school

Eens in het middelbaar onderwijs hebben veel pubersde neiging om de rollen om te draaien. Ze willen nu zelf bepalen wat er in de boodschappentas of in de koelkast komt. Dit hoort tot hun individuatieproces: zoals ze met muziek en kledij experimenteren, zo experimenteren ze ook met eten. De ene dag zijn ze vegetariër, de andere dag lusten ze junkfood, en weer een andere keer gaan ze voor de oosterse keuken! Eten wat de gezins-pot schaft is ook het advies bij pubers, met eventueel een lichte aanpassing voor vegetariërs. 

Middelbare school

Eetmomenten

Structuur en regelmaat helpen kinderen in het uitbouwen van een regelmatig eetpatroon. Een dagmenu bestaat uit drie hoofdmaaltijden (ontbijt, middag- en avondeten) en een tweetal tussendoortjes, bij voorkeur op vaste tijdstippen. Ongeveer om de twee à drie uur iets eten zorgt voor nieuwe energietoevoer, maar voorziet ook dat er periodes zijn waarin niet gegeten wordt en de maag tot rust kan komen. Een kind raakt dit zo gewoon zodat er minder trek in eten is tussendoor. Ook voor jongeren en volwassenen is deze regelmaat belangrijk. 

Ook bij slechte eters tijdens de maaltijd houdt men zich hier best aan. Niet of onvoldoende eten tijdens de maaltijd betekent dat men moet wachten met eten tot het volgende eetmoment, en niet extra compenseert door dessert of frisdrank na de maaltijd. 

Hoeveelheden

Kleuters laten zich beïnvloeden door portiegrootte. Voorzie dus grotere serveermogelijkheden van groenten en fruit, en kleinere serveringen van voedingsmiddelen waar het kind minder van nodig heeft. Kleuters hebben periodes van groei, maar ook periodes waarin fysieke groei niet zo sterk ontwikkelt. In die periodes eten ze minder. Dit wisselend eetgedrag treedt ook op als kleuters moe zijn. Vaak is eten niet meer aan de orde tot na een rustperiode. Het is belangrijk om in gedachten te houden dat ouders en kinderen een gedeelde verantwoordelijkheid hebben rond eten: de ouder beslist welk voedsel wordt aangeboden, maar het kind beslist hoeveel het eet. Peuters en kleuters hebben van nature een homeostatische zelfregulatie wat betreft hoeveelheid voeding: ze eten uit honger en stoppen met eten als ze voldoende energie hebben opgenomen. De fles leegdrinken of het bord leegeten hoeft dus niet. Heeft het kind nog honger? De ouder beslist met welke voedingsmiddelen het kind zijn buikje kan vullen. Vele klachten van ouders bij kinderartsen hebben te maken met ongerustheid rond het eetgedrag van peuters en kleuters, terwijl net die groep meestal geen problemen stelt. 

Toelichting bij homeostatische zelfregulatie: Het lichaam stuurt signalen uit van honger bij nood aan energie en signalen van verzadiging wanneer aan deze behoefte is voldaan. Jonge kinderen beschikken over een adequaat regulatiemechanisme om de energie-inname af te stemmen op de energiebehoefte van het lichaam via deze interne voedselprikkels.

Kleuters

Rond de leeftijd van zes jaar verliezen vele kinderen contact met hun natuurlijke zelfregulatie van voedingsnoden. Het eetgedrag wordt meer en meer overheerst door andere factoren dan ‘honger’ en ‘verzadiging’, zoals hoe lekker voedsel eruit ziet, wat en hoeveel anderen rondom ons eten… . Lagere- schoolkinderenvragen begeleiding in het structureren van hun eetgedrag: vaste tijdstippen van maaltijden en tussendoortjes, en goede afspraken over wat kan bij plotse honger. Zij hebben nood aan een goed ontbijt om de concentratie op school te bevorderen. Net voor de puberteit eten veel lagereschoolkinderen plots meer. Dat heeft met de groei te maken. Aanmaak van “pubervet” houdt verband met de hormonale ontwikkeling. Het blijft dan belangrijk een regelmatig eetpatroon aan te houden: niet het aantal eetmomenten neemt toe, maar wel de mogelijkheid voor meer aanbod tijdens vaste eetmomenten. Dit principe blijft ook tijdens de puberteit gelden: een vaste structuur, maar grotere porties.

Lagere school

Eetgewoonten

Net zoals slapen, spelen en studeren aangeleerd moeten worden, vergeten we vaak dat kinderen ook goede eetgewoonten moeten leren. Enkele tips voor ouders kunnen als achtergrond helpen. 

Voor het hele gezin is het sterk aanbevolen om een maaltijd aan tafel te nemen (niet voor de televisie, niet rechtstaand), in een rustige omgeving, liefst allemaal samen en op vaste tijdstippen. Het wordt afgeraden een kind te laten eten terwijl het nog aan het spelen is of er met een lepel achteraan te lopen. Praten hoort wel bij gezelligheid aan de gezinstafel. Het is belangrijk om het goede voorbeeld te geven. Zoals bij vele andere dingen, leert een kind goede tafelmanieren door imitatie. Heb je als ouder een gevarieerd aanbod op je bord? Voldoende groenten en fruit? Geen lightproducten als het medisch niet nodig is? 

Zeker bij jonge kinderen is het belangrijk het eten in te schakelen in een vast ritueel: zorg voor wat “appetizers” (mee helpen koken, in de buitenlucht spelen, …), laat het spel een kwartier voor het eten afronden met zijn spel, laat meehelpen bij het versieren van de tafel, en voorzie een vast patroon bij de maaltijden: wie zit waar, hoe verloopt het tafelen, hoe lang blijft iedereen zitten, wanneer en hoe wordt afgeruimd?

Zorgen over gewicht en lichaamsvormen en lijngedrag

Kleuters hebben reeds een voorkeur voor slanke lichamen boven mollige lichamen, en het verlangen om zelf mager te zijn zou ontstaan vanaf 6 jaar. Recent onderzoek toont hoe sterk culturele waarden en het schoonheidsideaal al op 4 jaar overgenomen worden door kleuters.

Kleuters

In de lagere school maakt een beduidend deel van de kinderen zich zorgen om hun gewicht of lichaamsvormen, en starten sommige kinderen met lijnen. Als ouder kan je het aantal schermuren beperken, zodat enerzijds fysieke activiteit bevorderd wordt en anderzijds er een verminderde blootstelling is aan mediavoorstellingen van ideaalbeelden en aan reclame voor suiker-, zout- of vetrijke voeding. 

Lagere school

Een lijngerichte eetstijl, gekenmerkt door denken in ‘goed’ en ‘slecht’ voedsel en zichzelf rigide regels opleggen rond eten, neemt sterk toe bij adolescente meisjes. Adolescente jongens en meisjes ervaren ook nog meer druk van ideaalbeelden uit de media (een mager en kinderlijk figuur bij meisjes, een gespierd lichaam bij jongens). Zorgfiguren kunnen model staan voor een gezonde houding tegenover hun lichaam, door zelf kritisch te staan tegenover idealistische mediavoorstellingen en zichzelf niet te vergelijken met de sterren in modeblaadjes, en door te benadrukken dat diversiteit de wereld mooier en interessanter maakt. Hoewel de bezorgdheden rond uiterlijk het welzijn, zelfbeeld en lichaamsbeeld van de jongere kunnen schaden en een risicofactor kunnen zijn in de ontwikkeling van een eetstoornis, zijn ze niet gelijk te stellen met een eetstoornis.

Middelbare school

Eetstijlen 

Kinderen en volwassenen kunnen individuele verschillen vertonen in de manier waarop ze omgaan met eetprikkels en welke prikkels eetgedrag uitlokken. Bij (jonge) kinderen worden volgende aspecten onderscheiden: 

  • responsiviteit ten opzichte van verzadigingssignalen: wordt de voedselinname aangepast aan de inname van de vorige maaltijd/snack, laat het kind voedsel liggen op het bord?; 
  • responsiviteit ten opzichte van externe voedselprikkels: eet het kind meer voedsel dat lekker smaakt dan voedsel dat het minder lekker vindt?; 
  • emotioneel eten dat bij kinderen wordt opgesplitst in meer eten bij negatieve emoties en minder eten bij negatieve emoties; 
  • algemene interesse in voeding: honger, verlangen om te eten, plezier in eten; 
  • eetsnelheid: treuzelen, langer dan een half uur nodig hebben voor een maaltijd; 
  • kieskeurigheid: erg selectief zijn in de voeding die aanvaard wordt. 

De responsiviteit ten opzichte van verzadigingssignalen (te vergelijken met homeostatische regulatie) daalt naargelang het kind ouder wordt, en eetsnelheid neemt doorgaans toe met de leeftijd. 

Hierbij aansluitend worden doorgaans drie eetstijlen onderscheiden: Bij een emotionele eetstijl wordt  eten gebruikt als copingmechanisme om met negatieve emoties om te gaan. Dit is geen doorsnee reactie op negatieve emoties, aangezien verdriet gepaard gaat met bepaalde fysiologische reacties die eerder geassocieerd zijn met verminderde eetlust. Eten om met deze emoties om te gaan is dus het gevolg van een leerproces. Door ontwikkelingsprocessen reageren jongeren impulsiever en emotioneler, hierdoor neemt emotioneel eten toe tijdens de adolescentie Bij een externe eetstijl laten we ons vooral leiden door voedingsprikkels zoals smaak, geur en uitzicht van voedsel, beschikbaarheid van voedsel, en tijdstip van de dag in tegenstelling tot interne prikkels van honger en verzadiging. Bij een lijngerichte eetstijl pogen we cognitieve controle uit te oefenen op ons eetgedrag, om zo ook het gewicht te beïnvloeden. We eten hierbij niet steeds als we honger hebben, en verliezen het contact met interne gevoelens van honger en verzadiging. Ook kan de cognitieve controle falen, zeker bij stressvolle momenten. 

Deze eetstijlen zijn op zich geen probleem, maar uitgesproken vormen kunnen kaderen in de ontwikkeling van overgewicht, ondergewicht of een eetstoornis. Dan geven ze richting aan de behandeling.

De biologie van eetgedrag

Vier drijfveren

Honger, verzadiging en zin hebben in eten ontstaat vanuit een constante interactie tussen biologie en psychologie. We kunnen 4 drijfveren van eten onderscheiden:

Homeostase & appetijt/eetlust

Honger- en verzadigingsperceptie wordt gereguleerd door structuren in de hersenen en spijsverteringsstelsel. De meest bekende hormonen zijn ghreline (eetlust) en leptine (verzadiging). Ook insuline speelt hierbij een rol. Mogelijkheden voor interventies in de toekomst zijn middelen die ingrijpen op metabolieten (organische producten die ontstaan na verwerking van stoffen in een biologisch systeem, bv. aminozuren, hormonen…) die geassocieerd zijn met appetijtregulatie.

Sensorieel – geuren en smaken

Het sensoriële plezier door het lusten zorgt voor een verhoogde voedingsinname tijdens maaltijden. Smaakreceptoren komen terug in verschillende delen van het gastrointestinaal systeem en vetweefsel waar ze zowel door externe stimuli (via voedsel, temperatuur,…) als interne stimuli (inflammatoire reacties, hormonen, darmbacteriën,…) beïnvloed worden. Hierdoor kunnen mensen verschillende smaakvoorkeuren en gevoeligheden ervaren. Bovendien bevat onze mond ook heel wat bacteriën die nutriënten afbreken en onze smaakperceptie direct beïnvloeden.

Beloningssysteem – goesting hebben

De motivatie of de goesting zorgt voor extra ongeplande maaltijden met dus hogere energie-inname. De ene persoon is gevoeliger voor beloning dan de andere. Deze beloningsgevoeligheid beïnvloedt eetgedrag: van extern eten en impulsiviteit tot eetbuien, binge-eating. Dit dopamine-gestuurde mechanisme van eetdrang wordt bij obesitas fysiologisch minder onderdrukt. Psychologisch gezien includeer je best een beloningsperspectief in een interventie, maar dit is niet simpel in de praktijk.

Cognitie, inhibitie en emotie

Dankzij de wisselwerking tussen emoties (amygdala) en controle hebben over impulsen die binnenkomen (prefrontale cortex) gaan we niet alles opeten wat we zien. Chronische stress kan bijdragen aan ongezond eetgedrag, ten eerste door het honger- en verzadigingsgevoel te veranderen. Cortisol zorgt namelijk voor een stijging van NPY (eetlust) en een minder goede werking van leptine (verzadiging) en insuline. Ten tweede vermindert de cognitieve controle en wordt het beloningssysteem getriggerd door cortisol, waardoor we meestal meer zin hebben in belonende voeding (calorierijk, vetrijk, suikerrijk). Interventies kunnen ingrijpen op het trainen van aandacht, inhibitie en emotieregulatie bij de preventie en behandeling van overgewicht en obesitas.

Bacteriën in ons lichaam beïnvloeden ons eetgedrag via bovenstaande mechanismen. Interventies die hierop inspelen staan nog niet op punt, maar zijn veelbelovend. Gezonde voedingskeuzes blijven de basis voor een goed gereguleerd appetijt. Onderzoekers ontdekken een stijgend aantal hormonen, neurotransmitters, inflammatieparameters en metabolieten voor farmaceutische toepassing of gepersonaliseerd advies. Eetgedrag is verbonden met andere leefstijlfactoren ( en de omgeving (voedselprikkels, sociale omgeving, natuur,…).

Datum laatste aanpassing: 25 oktober 2023

Materialen

Materialen waarmee je aan de slag kunt over thema eetgedrag in ontwikkeling.

Boek ‘Groeiwijzer’

Boek rond smaakontwikkeling en eetgedrag.

Tekst

– 2.1 MB

Infofiche groeiwijzer

Infofiche met samenvatting van het boek ‘Groeiwijzer’.

Infofiche

– 567 KB

Boek ‘Ben ik te dik, mama?’

Help je tiener groeien naar een positief lichaamsbeeld en eetgedrag.

Tekst

– 48 KB

Vraag en antwoord

Heeft iemand die weinig lust maar niet wil afvallen, ook een eetstoornis? arrow

Iemand die weinig lust maar niet wil afvallen, kan een eetstoornis hebben. Maar dit is niet altijd zo.  
Als iemand eenzijdig of weinig eet, kan dat verschillende oorzaken hebben: 

  • Slikangst
  • Angst om nieuw of onbekend voedsel te proeven
  • Negatieve ervaringen met bepaald voedsel
  • Sterke overtuiging dat bepaald voedsel ongezond voor je is

De voedselvermijding kan de groei en gezondheid onder druk zetten, en kan psychosociale gevolgen hebben (bv. depressieve gevoelens, niet meer deel kunnen nemen aan bepaalde sociale activiteiten). Dan kan de diagnose ‘vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis’ (een eetstoornis) van toepassing zijn. 

Hoe kan ik vermijden dat mijn kind teveel snoept? arrow

Jonge kinderen eten enkel als ze honger hebben. Als het kind ouder wordt, verandert dit. Ze worden meer en meer verleid om te eten als ze iets lekkers zien of ruiken, ook al is hun buikje vol. In onze moderne maatschappij worden we voortdurend blootgesteld aan lekkere snacks. We kunnen proberen onze kinderen hiervoor af te schermen, maar het is op lange termijn zinvoller als ze leren omgaan met deze verleidingen. Snoep, chips, frisdrank,… verbieden maakt deze voedingsmiddelen alleen maar aantrekkelijker. Je kan kinderen leren dat deze extraatjes horen bij speciale gelegenheden en dat we ze niet in overvloed moeten eten. Het helpt ook om de calorierijke snacks uit het zicht te bewaren, en niet te veel verschillende soorten in huis te halen. We houden namelijk van afwisseling, en we eten meer als we veel verschillende voedingsmiddelen aangeboden krijgen. En dit geldt ook voor ons snoepgoed (bedenk maar eens hoeveel verschillende soorten chocolade er op de markt zijn). Als er maar één soort snoepje in huis is, gaan kinderen hier minder van eten.

Hoe kan ik proeven en evenwichtig eetgedrag bij mijn kind stimuleren? arrow

Een grote valkuil is druk zetten op een kind dat niet wil proeven. Het kind kan zelfs een afkeer ontwikkelen voor dat eten. Anderen met smaak hetzelfde zien eten, een gezellige tafelsfeer, een complimentje krijgen bij het proeven, een leuke presentatie,… werkt veel beter. En beetje bij beetje breidt het smaakpallet van het kind zich uit. Een beloning geven om te proeven is doorgaans niet nodig, en belonen met een dessert wordt afgeraden. Het effect is namelijk dat kinderen het dessert nóg lekkerder gaan vinden, en het nieuwe voedsel net mínder graag lusten. Een dessert kan wel deel uitmaken van de maaltijd, maar wordt beter niet gebruikt in het kader van beloning of straf.  

Het leeuwendeel van de kinderen (en volwassenen) eet onvoldoende groenten en fruit. Fruit is nog iets populairder dan groenten dankzij de zoetere smaak, maar trucjes om kinderen grotere porties groenten en fruit te helpen eten zonder hen onder druk te zetten zijn geen overbodige luxe. Verschillende soorten tegelijk aanbieden, waardoor het kind zowel variatie als keuze heeft, stimuleert grotere porties. Een bord soep of kom rauwkost aanbieden als voorgerecht of tussendoortje, apart van andere voedingsmiddelen die ze liever eten en vóór de maag gevuld is, is ook een handig trucje.

Hoe help ik mijn kind om veel smaken lekker te vinden? arrow

De eerste anderhalf à twee levensjaren aanvaardt een kind vrij gemakkelijk nieuwe smaken. Eén à twee keer proeven, en het volgende hapje wordt met plezier onthaald.

Dit verandert rond 2-jarige leeftijd. Voedsel dat voordien zonder problemen werd gegeten, stuit nu op een ‘nee’.  En dit heeft niet enkel met de koppigheidsfase te maken. De peuter is neofoob of bang om voedsel te proeven dat hij niet herkent. Zijn herkenning is gebaseerd op een strak keurslijf van hoe een voedingsmiddel er volgens hem hoort uit te zien. Vervelend voor ouders die hun kind een evenwichtige en gevarieerde maaltijd willen aanbieden, maar tegelijk ook heel ‘slim’. Het kind kan op deze leeftijd namelijk zelfstandig rondlopen en zo zelf de wereld te verkennen, en door de hoge neofobie loopt de onderzoekende peuter minder risico om iets giftigs te eten. Dit neemt natuurlijk niet weg dat een veilige omgeving nog steeds onmisbaar is.  In deze fase zal het kind de ‘nieuwe’ smaak pas na vele keren proeven ook lekker vinden. Hierbij is het héél belangrijk dat het kind niet misselijk wordt na het proeven, want dan leert het kind dat het voedsel niet veilig is. Het kind leert voedsel best kennen in zijn normale of basisbereiding, niet zoeter of vetter (bv. door suiker of een roomsaus toe te voegen). Anders wordt het nadien veel moeilijker om de basissmaak te leren eten.     

Hoeveel eten heeft mijn kind nodig?    arrow

Een baby groeit heel sterk in het eerste levensjaar. Na het eerste levensjaar komen kinderen nog ongeveer 2 à 3 kg per jaar bij. De energiebehoefte van het jonge kind (peuter/kleuter) is dus kleiner dan deze van de baby, en dit kan bezorgdheid oproepen bij ouders dat het kind te weinig eet. Het is heel belangrijk om in gedachten te houden dat ouders en kinderen een gedeelde verantwoordelijkheid hebben rond eten: de ouder beslist welk voedsel wordt aangeboden, maar het kind beslist hoeveel het eet. Baby’s en jonge kinderen hebben namelijk een goed afgestemd regulatiesysteem: ze eten uit honger en stoppen met eten als ze voldoende energie hebben opgenomen. De fles leegdrinken of het bord leegeten hoeft dus niet. Heeft het kind nog honger? De ouder beslist met welke voedingsmiddelen het kind zijn buikje kan vullen. Vanaf peuterleeftijd leert het kind ook dat het niet meer op elk moment van de dag kan eten. Het buikje wordt gevuld tijdens eetmomenten, en kan dan enkele uren rusten. Een regelmatig eetpatroon bestaat uit 3 hoofdmaaltijden en 2 à 3 tussendoortjes.  Jongeren hebben dan weer meer honger door hun groeispurt. Bij hen bewaar je best het regelmatig eetpatroon, maar de porties mogen toenemen. 

Hoe communiceer ik over eten en gewicht met mijn kind, om te vermijden dat hij of zij een negatief lichaamsbeeld ontwikkelt?  arrow

Bouwen aan een gezonde houding ten opzichte van eetgedrag en gewicht start al heel vroeg; kleuters hebben reeds een voorkeur voor slanke lichamen boven mollige lichamen, en het verlangen om zelf slank te zijn zou ontstaan vanaf 6 jaar.  

Er zijn verschillende zaken die je kan doen doorheen de verschillende levensfasen: 

  • Ondersteun de normale ontwikkeling van eetgedrag en een ontspannen houding ten opzichte van eetmomenten, o.m. door uit een tafelstrijd te blijven. Meer info en tips vind je in deze infofiche Groeiwijzer samenvatting. 
  • Geef informatie over de verschillende functies van ons lichaam, wat ons lichaam allemaal voor ons doet. 
  • Geef geen kritische opmerkingen over gewicht; niet dat van je kind, maar ook niet dat van anderen. 
  • Sta zelf model voor een positieve houding ten opzichte van je lichaam, en blijf weg van modediëten. 

Je vindt deze en heel wat meer tips in onze materialen: 

In elke klas zitten jongeren van alle maatjes. Hoe pak ik lesinhouden rond eten en gewicht aan in het onderwijs?  arrow

Blijf bij boodschappen die herkenbaar zijn voor élke jongere en hun groei ondersteunen. De elementen van een gezonde leefstijl zijn hierbij de kern, en bevatten ook aandacht voor lichaamswaardering. Help hen ook kritisch kijken naar hoe onze maatschappij bepaalde maten linkt aan succes en gezondheid. We hebben heel wat materialen om je hierin te ondersteunen, zowel met algemene boodschappen rond versterkend werken, als specifieke lespakketten rond bv. lichaamswaardering.  

Je vindt de materialen voor onderwijs op onze pagina met materialen

Waarom focussen op gezonde leefstijl en ontspannen omgaan met eten? arrow

Bij preventie en behandeling van eetstoornissen en gewichtsproblemen ligt de focus op een gezonde leefstijl en ontspannen omgaan met eten. We vatten ontspannen omgaan met eten samen met de term ‘eetcompetentie’.  

  • Genoeg
  • Geregeld
  • Genieten
  • Gevarieerd

Dus waarom de nadruk op eetcompetenties en een gezonde leefstijl? Wat is er mis met een focus op afvallen? Het risico bestaat dat mensen met overgewicht een negatief lichaamsbeeld ontwikkelen. En ongezonde methodes gebruiken om hun gewicht te verminderen. Dit kan het risico op verstoord eetgedrag verhogen (bv. eetbuien). 
 
Bijvoorbeeld, iemand start de dag vol motivatie om minder (of niet) te eten. Zin in eten en honger bouwt op doorheen de dag. Na een drukke werkdag komt deze persoon uitgehongerd thuis. Drukte en stress zorgen voor minder zelfcontrole later op de dag, dit is volledig normaal. Alle remmen gaan los, al het eten moet op. Daarna volgen negatieve gevoelens, alsof deze persoon sterker had moeten zijn. Maar uiteraard heeft het lichaam voedsel en zelfzorg nodig om goed te kunnen functioneren. Een gezonde leefstijl en ontspannen omgaan met eten vormt de basis voor een goede gezondheid. 
Bovendien tonen studies aan dat streng lijngedrag (voedingsmiddelen van het menu schrappen, weinig eten, maaltijden overslaan) niet effectief is op lange termijn. Wie snel afvalt, komt ook snel terug bij. Inderdaad, het jojo-effect bestaat. Velen wegen uiteindelijk méér dan voor de afvalpoging. Zo blijft de vicieuze cirkel draaien. 


Gewicht is minder controleerbaar dan we willen geloven. Maar een gezonde leefstijl en ontspannen omgaan met eten is een vaardigheid die mensen kunnen aanleren. Daarom kiezen we voor een aanpak die op lange termijn zorgt voor een goede gezondheid, op mentaal en lichamelijk vlak. Deze aanpak kan ook, in een rustig tempo, enkele kilo’s verschil geven op de weegschaal. Maar ook zonder gewichtsverlies kunnen de meeste mensen zo een betere gezondheid bereiken.  
 
Meer info  
Risico’s van lijnen  
Infofiche Gezonde leefstijl ALLES – overzicht 
Infofiche Gezonde leefstijl ALLES – Afwisselend eten 

Is perfectionisme de oorzaak van eetstoornissen? arrow

Personen die perfectionistisch zijn, kunnen kwetsbaarder zijn om een eetstoornis te ontwikkelen. Toch zit deze link complex in elkaar. Je kan een vrij gezonde vorm en dosis perfectionisme hebben, maar ook een ongezonde vorm van perfectionisme.  


Maar wat is perfectionisme, en wanneer wordt het schadelijk? Iemand die perfectionistisch is, stelt hoge doelen voor zichzelf. Op zich is dit geen slechte eigenschap. Want duidelijke doelen opstellen voor jezelf kan motiverend werken.  


Maar wanneer je zelfbeeld afhankelijk is van je succes, kan je in de problemen komen. Dan ga je jezelf kritisch beoordelen als je je doel niet bereikt. Of zelfs wanneer je dat doel niet ‘perfect’ hebt bereikt. Zo kan je angst krijgen om fouten te maken en constant twijfelen of je wel genoeg doet om je hoge doelen te bereiken. 


We spreken van positief perfectionisme wanneer het gericht is op het bereiken van doelen en daarvoor beloond te worden. Dit gedrag is gemotiveerd door prestatiegerichtheid. 
En we spreken van negatief perfectionisme als het bedoeld is om verwachte negatieve situaties te vermijden. Dit is gedrag vanuit faalangst en angst om negatief beoordeeld te worden.  
In het onderzoek is nog te weinig onderscheid gemaakt tussen deze vormen van perfectionisme en hun mogelijk verband met de ontwikkeling van eetstoornissen.  
 
Meer info  
Risico- en beschermende factoren bij eetstoornissen 

Kunnen personen met een goed zelfbeeld ook vatbaar zijn voor eetstoornissen? arrow

Een positief zelfbeeld is een beschermende factor voor het ontwikkelen van een eetstoornis. Dit betekent dat een positief zelfbeeld de invloed van risicofactoren kan verminderen.   
Maar net zoals er niet één oorzaak is, is er ook niet één grote beschermende factor die iedereen kan beschermen. Andere beschermende factoren zijn onder andere mediaweerbaarheid en goede sociale relaties.   
 
Meer info  
Risico- en beschermende factoren bij eetstoornissen