ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) is een ontwikkelingsstoornis en omvat twee hoofdcomponenten: aandachtsproblemen en hyperactiviteit-impulsiviteit. Beide aspecten kunnen een aanzienlijke invloed hebben op het eetgedrag en het lichaamsgewicht.
Er worden drie types onderscheiden: het onoplettende type, het hyperactieve/impulsieve type en het gecombineerde type.
ADHD is voor iedereen anders. Bovenliggende gedragingen zoals aandachtsvariatie, activiteit en impulsiviteit zijn aanwezig, maar de onderliggende mechanismen verschillen. Deze omvatten:
Bij ADHD gaat het niet zozeer om een tekort aan aandacht, maar eerder om een teveel: er is aandacht voor zoveel prikkels tegelijk dat het moeilijk wordt zich te focussen op wat de omgeving op dat moment verwacht. Daarnaast worden snel wisselende emoties en het moeilijk hebben om emoties te reguleren steeds meer gezien als onderdelen van ADHD.
Al deze verschillende mechanismen kunnen bijdragen aan controleverlies bij het eten. Mensen met ADHD kiezen ook vaak voor een directe beloning, zoals het opeten van een pak koekjes, zonder rekening te houden met de latere gevolgen of spijt. Of het kan zijn dat ze door een gebrek aan planning en zelfregulatie, hun eetpatroon niet gereguleerd krijgen.

Mensen met ADHD hebben vaak ongezondere eetpatronen, zoals een verhoogde suikerinname en het overslaan van hun ontbijt. Ze bewegen vaak minder, ondanks hun mogelijke grotere behoefte aan beweging. Dit weinig bewegen kan onder meer samenhangen met veel mediagebruik. Ook slapen ze vaak slechter, wat ook impact kan hebben op hun gewicht.
Het reguleren van al deze dagelijkse taken kost mensen met ADHD veel moeite en energie en lukt vaak niet, wat kan zorgen voor meer negatieve reacties vanuit de omgeving en meer ruzies kan veroorzaken. Dit kan vervolgens resulteren in een lager zelfbeeld, wat onevenwichtig eetgedrag in de hand kan werken.
Belangrijk om te weten: er is geen bewijs dat suikerconsumptie ADHD-gedrag verergert, noch dat het verminderen ervan ADHD-gedrag zou verbeteren. Onderzoek naar dieetinterventies, zoals uitsluitingsdiëten, leek aanvankelijk veelbelovend, maar op grotere schaal werd geen significant effect gevonden. Deze diëten zijn bovendien vaak erg beperkend en restrictief en daarom niet aanbevolen.
Anderzijds kan evenwichtig eetgedrag op langere termijn mogelijk een positief effect hebben op ADHD-gerelateerd gedrag. Zo bleek uit een studie dat kinderen met ADHD die een gezond dieet volgden, een jaar later minder medicatie gebruikten dan kinderen die geen gezond dieet volgden.
Supplementen, zoals zink, zijn onderzocht, maar deze studies zijn meestal van lage kwaliteit. Alleen omega-3 vetzuren tonen een klein, maar significant gunstig effect. Over het algemeen is er onvoldoende bewijs om een dieetbenadering bij ADHD aan te bevelen, hoewel uit één studie blijkt dat deze mogelijk wel gunstig is.
Wat wél duidelijk effectief blijkt, is lichaamsbeweging: regelmatige fysieke activiteit heeft een tijdelijk maar positief effect op ADHD-gedrag.
Bij ADHD kan het eetgedrag onder druk komen te staan.
Daarom is het waardevol om in te zetten op het versterken van competent en evenwichtig eetgedrag. Dit gaat niet alleen over ‘wat’ men eet, maar ook over ‘hoe’ men eet en de manier waarop men naar voeding en eetgedrag kijkt. Binnen Eetexpert onderscheiden we vier eetvaardigheden die samen competent en evenwichtig eetgedrag vormen: de vier G’s: Gestructureerd, Genoeg, Gevarieerd en Genieten.
Werken aan eetvaardigheden bij ADHD brengt specifieke uitdagingen met zich mee. Hieronder geven we per vaardigheid specifieke handvatten en aandachtspunten.
Mensen met ADHD zijn tijdens maaltijden vaak met andere dingen bezig dan met eten. Ze vergeten soms dat ze aan tafel zitten en raken snel afgeleid door prikkels in de omgeving, zoals een drukke tafelsetting of de aanwezigheid van broers en zussen.
Een vaste maaltijdstructuur vraagt planning en voorbereiding. Net bij deze executieve functies hebben personen met ADHD vaak extra ondersteuning nodig. Een omgeving die extern structureert en overzicht biedt, kan daarbij helpend zijn. Overzicht vermindert de belasting van het werkgeheugen en helpt zo om aandachtsproblemen te beperken.
Binnen gezinnen waar ADHD aanwezig is, vormt vooral de ochtendroutine vaak een grote uitdaging. Een duidelijke, concrete en stapsgewijze structuur rond maaltijden kan dan ondersteunend werken. Het is daarbij zinvol om flexibel om te gaan met tafelmomenten, bijvoorbeeld door kinderen toe te laten te bewegen, eventueel rechtstaand te eten, niet te lang stil te moeten zitten en het tafelen niet onnodig te laten duren. Ook het beperken van het aantal keuzes aan tafel kan helpend zijn.
Impulsieve beslissingen kunnen het voor mensen met ADHD moeilijker maken om bewust en evenwichtig te eten, te stoppen met eten of controle te behouden. Dit kan leiden tot een verlies van controle over eten. Tijdens de maaltijden is het dus belangrijk om voldoende te eten, zodat overeten of eetbuien op een later moment voorkomen kunnen worden.
Voor mensen met ADHD kan het een uitdaging zijn om voldoende tijd te nemen voor een maaltijd, zeker als andere activiteiten hun aandacht opeisen. Soms vergeten ze gewoon te eten. Wanneer kinderen met ADHD bovendien moeilijk gedrag stellen aan tafel, kan het aspect ‘voldoende eten’ soms te weinig aandacht krijgen.
Bovendien kan ADHD-medicatie de eetlust tijdelijk onderdrukken. In dat geval is het zinvol om op andere eetmomenten iets extra aan te bieden of om iets te eten voordat de medicatie wordt ingenomen.
Mensen met ADHD ervaren soms onder- en overgevoeligheden, wat kan leiden tot selectief eten. Een drukvrije en autonome blootstelling aan nieuwe voedingsmiddelen is daarom belangrijk. Het is helpend om daarbij steeds vanuit hun eigen voedselvoorkeuren te vertrekken en deze geleidelijk uit te breiden.
Ook impulsiviteit kan een rol spelen. Doordat keuzes vaker impulsief worden gemaakt en vaak vallen op iets dat onmiddellijk belonend of bevredigend is (bv. vet eten of eten met veel suiker), wint de ‘snelle hap’ het gemakkelijk van een evenwichtige maaltijd.
Tenslotte zijn ook planning en organisatie nodig om een gevarieerd menu samen te stellen. Ook dat vormt een extra uitdaging. Bovendien zijn kinderen met ADHD daarvoor afhankelijk van hun ouders – die zelf soms ook ADHD hebben – waardoor gerichte ondersteuning van ouders essentieel is.
Sommige kinderen met ADHD hebben een andere prikkelverwerking, wat invloed kan hebben op honger- en verzadigingssignalen. Hierdoor ervaren sommige mensen met ADHD minder snel een voldaan gevoel. Anderzijds kan eten voor hen soms een ‘saaie taak’ zijn, waardoor ze tijdens de maaltijd op zoek gaan naar extra prikkels om meer van het eetmoment te kunnen genieten.
ADHD komt vaak samen voor met andere problematieken. Zo is er een verhoogde prevalentie van eetstoornissen, zoals boulimia nervosa en de eetbuistoornis, bij mensen met ADHD.
Op latere leeftijd is er ook een sterke samenhang tussen ADHD en obesitas, maar dit krijgt nog te weinig aandacht in de richtlijnen, zowel bij obesitas als bij ADHD.
Werken aan ADHD-gerelateerd gedrag, zoals aandachtsproblemen, kan leiden tot beter eetgedrag, bijvoorbeeld door maaltijden beter te plannen en bewustere keuzes te maken.
Kinderen met ADHD hebben een grotere kans op controleverlies in hun eetgedrag. Ongeveer 20% ontwikkelt later een eetstoornis. Vooral de eetbuistoornis komt veel voor, gevolgd door boulimia nervosa. Daarnaast voorspelt ADHD-gedrag in de kindertijd obesitas op latere leeftijd. De combinatie van ADHD en een eetstoornis leidt bovendien tot ernstigere problemen dan wanneer een van beide afzonderlijk voorkomt.
Aandachtspunt voor de praktijk: wees alert op mogelijke ADHD bij eetproblemen en op eetproblemen bij ADHD.
Er is een duidelijke relatie tussen moeite hebben met het reguleren van emoties en eetproblemen. Zeven op de tien volwassenen met ADHD ervaren emotionele dysregulatie. Dat gaat vaak samen met een lagere kwaliteit van leven en meer angst- en depressieve klachten. Eten kan dan een manier worden om negatieve gevoelens te reguleren, wat een eetproblematiek in de hand kan werken.
Hoewel ADHD-kenmerken verband houden met eetbuien, verdwijnt deze samenhang wanneer er gecontroleerd wordt voor angst, depressie en stress. Dit suggereert dat ADHD-kenmerken in een de omgeving die niet goed is afgestemd, kunnen bijdragen tot angst, depressie en stress, wat vervolgens eetbuien kan uitlokken.
Ook beïnvloeden ADHD-kenmerken hoe iemand verzadiging ervaart.
Kenmerken zoals onoplettendheid, hyperactiviteit en impulsiviteit zouden meer gezien moeten worden als verschillen tussen mensen, in plaats van als specifieke tekortkomingen. ADHD wordt soms nog beschouwd als een ‘hersenstoornis’, maar steeds vaker spreekt men over een ‘aandachtsvariatieconditie‘. Mensen met ADHD hebben geen tekort aan aandacht, maar eerder een overvloed aan aandacht voor veel prikkels tegelijk, waardoor ze moeilijk kunnen focussen op wat de omgeving op dat moment van hen verwacht.
Ook taalgebruik is belangrijk. In plaats van ‘patiënt’, is het om beter te spreken van ‘iemand met ADHD’ of, afhankelijk van de voorkeur van de persoon zelf, ‘ADHD’er’. Gebruik daarnaast ook liever de term ‘gedrag’ in plaats van ‘symptomen’.
Aandachtspunt voor de praktijk: let op taalgebruik en vraag steeds naar de voorkeur van de persoon.
Voor screening kan gebruik worden gemaakt van het ADHD zorgpad. Op deze website vind je een schat aan informatie over de screening, diagnose en behandeling van ADHD, evenals checklists en vragenlijsten die samen met de betrokkene kunnen worden doorgenomen. Een diagnose kan echter alleen worden gesteld wanneer ADHD een significante impact heeft op het dagelijks functioneren.
Lang stilzitten kost veel energie voor iemand met ADHD, omdat de behoefte om te bewegen wordt onderdrukt. Dit vraagt veel cognitieve inspanning en aanpassing om sociaal geaccepteerd te worden. Daardoor kunnen kinderen na schooltijd thuis ontploffen en ontregeld raken, wat ook invloed kan hebben op het eetgedrag. Soms wordt ADHD-gedrag onderdrukt (ook wel ‘maskeren’ genoemd), dit komt mogelijk vooral voor bij meisjes en vrouwen.
Aandachtspunt voor de praktijk: heb als zorgverlener oog voor mogelijke maskering, ook bij afwezigheid van een diagnose, vooral bij meisjes en vrouwen.
Onderzoek toont aan dat mensen met ADHD soms verschillende sterktes kunnen hebben, zoals creativiteit, flexibiliteit, socio-affectieve vaardigheden en hogere-orde cognitieve vaardigheden. Adolescenten ervaren die vaak minder, omdat hun schoolomgeving minder goed aansluit, terwijl volwassenen soms een werkcontext kunnen creëren waarin hun sterktes meer naar voren komen.
Aandachtspunt voor de praktijk: te veel focussen op sterktes kan het dagelijkse lijden ontkennen, in het bijzonder bij jongeren, die weinig controle hebben over hun (school)context.

Een effectieve behandeling van ADHD vereist een geïntegreerd en individueel behandelplan. Dit omvat steeds psycho-educatie (1), een gedragsmatige aanpak thuis en op school (2), en soms ook medicatie (3). De eerste twee onderdelen kunnen worden toegepast zonder officiële diagnose, terwijl medicatie altijd een officiële diagnose vereist.
Interventies moeten gericht zijn op het vergemakkelijken van het dagelijks leven, door de ouders, school en leeftijdsgenoten te betrekken en de omgeving inclusiever te maken. Het is essentieel om stigma te verminderen en het bewustzijn over ADHD bij de omgeving te vergroten. De interventie moet gericht zijn op het verbeteren van de kwaliteit van leven.
ADHD wordt nog vaak bekeken door een medische bril: het wordt gezien als een hersenstoornis die leidt tot afwijkend gedrag. Vanuit dit medische perspectief ligt de oorzaak van problemen bij het individu zelf – met andere woorden: het ‘atypische’ brein zou verantwoordelijk zijn voor de moeilijkheden die iemand ervaart. Sommige interventies richten zich op het aanpassen of verbeteren van dat brein of van het kind, bijvoorbeeld via cognitieve trainingen of neurofeedback. We weten echter dat dit soort trainingen of neurofeedback niet effectief zijn.
Deze benadering doet geen recht aan de complexiteit van ADHD. ADHD is eerder een dimensie dan een vast omlijnde aandoening. Sommige mensen voldoen aan de officiële diagnostische criteria, terwijl anderen kenmerken ervaren zonder formeel de diagnose te krijgen. Denk bijvoorbeeld aan druk gedrag of een wisselende aandachtsspanne. Deze eigenschappen worden pas problematisch wanneer de omgeving hier niet goed op is afgestemd.
Een kind met ADHD dat moeite heeft met stilzitten, kan negatieve reacties krijgen of buitengesloten worden als de schoolomgeving te weinig ruimte biedt voor beweging of variatie. De overstap van de kleuterklas naar het eerste leerjaar – waar stilzitten en opletten nadrukkelijker worden verwacht – kan dan al snel tot problemen leiden. Als de omgeving niet meebeweegt met de behoeften van het kind en negatief reageert, kunnen daar gevolgen uit voortkomen, zoals somberheid of eetproblemen. ADHD uit zich bovendien bij ieder individu anders, wat de noodzaak onderstreept om de context aan te passen aan individuele verschillen.
Vanuit het neurodiversiteitsparadigma richt men zich niet enkel op het ADHD gedrag, maar ook op het aanpassen van de omgeving aan de neurodivergente behoeften. Voor hulpverleners betekent dit dat gedrag nooit los mag gezien worden van de sociale context waarin het zich voordoet. Wat als ‘lastig’ gedrag wordt ervaren, is afhankelijk van de normen en verwachtingen binnen die context. Vaak is er sprake van een mismatch tussen de neurodivergente kenmerken van een persoon en de eisen van de omgeving. Daarom moet steeds onderzocht worden welke sociale normen worden gehanteerd – en of deze altijd in het belang van het kind zijn.
Bijvoorbeeld: de sociale norm schrijft misschien voor dat je tijdens het eten aan tafel blijft zitten, terwijl een kind met ADHD juist behoefte kan hebben aan beweging. Of bepaald gedrag als storend wordt ervaren, hangt dus af van de gekozen norm.
Daarnaast is het belangrijk om de functie van gedrag te begrijpen. Friemelen kan bijvoorbeeld helpen bij het vasthouden van de aandacht tijdens een taak.
Door goed te luisteren naar wat het kind nodig heeft, kan samen worden gezocht naar wat het meeste bijdraagt aan zijn of haar welzijn.
Eetproblemen op zichzelf zijn geen symptoom van ADHD, maar kunnen bijvoorbeeld wel ontstaan als gevolg van de voortdurende stress die mensen met ADHD ervaren in een omgeving die niet goed aansluit. In zulke gevallen kan ontregeld eetgedrag een manier zijn om met dat spanningsveld om te gaan. Het is dus van belang om niet alleen het eetprobleem zelf aan te pakken, maar ook de uitlokkers te onderzoeken. Behandeling van ADHD en eetproblemen zou daarom geïntegreerd moeten plaatsvinden, en niet los van elkaar.
Voordat medicatie wordt overwogen bij ADHD, moet de situatie zorgvuldig in kaart worden gebracht. Medicatie dient altijd deel uit te maken van een breder behandelplan. Vaak wordt eerst ingezet op gedragsmatige interventies; medicatie kan daarna worden toegevoegd, afhankelijk van de ernst.
Veelgebruikte medicatie bij ADHD bestaat uit stimulantia: methylfenidaat (eerste keuze), dexamfetamine (tweede keuze). Daarnaast kunnen atomoxetine of guanfacine worden gebruikt (derde keuze).
Bij ongeveer een derde van de kinderen die stimulantia gebruiken, en bij één op de zeven kinderen die atomoxetine nemen, treedt verminderde eetlust op. Daarom moeten gewicht en lengte nauwkeurig worden opgevolgd.

Gemiddeld leidt medicatie in de eerste jaren tot tragere gewichtstoename en groeivertraging, maar dit effect neemt meestal af en herstelt zich vaak na medicatiepauzes.
Bij eetstoornissen zonder ADHD is er weinig bewijs voor de effectiviteit van stimulantia. Wel is het zinvol om ADHD te screenen bij mensen met boulimia nervosa, aangezien comorbiditeit vaak voorkomt.
Ook kan ondergewicht de effectiviteit van sommige medicijnen verminderen, waardoor farmacokinetische aanpassingen noodzakelijk kunnen zijn.
Met dank aan prof. dr. Saskia van der Oord en dr. Karen Vertessen voor het nalezen van deze tekst en hun inhoudelijke feedback.
Materialen waarmee je aan de slag kunt bij het thema ADHD.
Tekst – Eetstoornissen en neurodivergentie – zorgverleners
Info en handvatten voor diagnostiek en behandeling bij personen met (een vermoeden van) autisme of ADHD.
Tekst
– 1.1 MB