Motiveren

Motiveren

Motiverend werken vormt dé basis van het werken aan gedragsverandering. Maar hoe kunnen we als ouder of als hulpverlener motiverend begeleiden? Welke gespreksvoering kan motivationeel werken? En hoe kunnen we de kwaliteit van de motivatie veranderen? 

Drie motivatiekaders geven antwoord op deze vragen:  

Prochaska en Di Clemente (1) geven met hun motivatiecirkel duidelijk welke motivatiestadia er zijn om bij in te voegen. Miller en Rolnick (2) geven met hun motivationeel interviewen concrete interventies voor motivationeel werken. Ryan en Deci (3) geven met hun zelfdeterminatietheorie een antwoord op de vraag hoe we mensen naar meer en betere motivatie kunnen brengen.

1. Stadia van gedragsverandering (Prochaska & DiClemente)  

 

Prochaska en DiClemente beschrijven een dynamisch proces bij motivatie: verschillende  motivatiestadia vragen om verschillende interventies van hulpverleners. Anders ontstaat er weerstand en komt de bereidheid om te veranderen in het gedrang.  

 

Dit invoegen vraagt tijd en luisteren. Veel hulpverleners zijn snel actiegericht, terwijl cliënten meestal niet in de actiefase zitten wanneer zij consulteren. Dit kader helpt om juist in te voegen met de erbij passende interventies.  

 

   
Precontemplatie  Geef informatie en feedback om debewustwording van het probleem te vergroten. Geef geen advies aangezien dit contraproductief kan zijn. Zaai twijfel om de risicoperceptie te vergroten Richt je interventie op het type precontemplatie: uit onwetendheid (onbewustzijn) of uit bewust verzet Reflectief luisteren, open vragen stellen, samenwerkingsverband 
Contemplatie  Werk met dubbele reflecties om de cliënt een goed zicht te geven op zijn eigen ambivalentie Maak de voor- en nadelen van gedragsverandering op en doe de balans overhellen naar de voordelen. Doe hetzelfde voor de voor- en nadelen van gedragsbehoud en laat de balans overhellen naar de nadelen. Versterk het gevoel van de eigen mogelijkheden voor verandering. Kader eerdere pogingen in de zin van ‘enig succes’ in plaats van ze te labellen als mislukkingen. Verken de opties die de cliënt overwogen heeft om verandering aan te pakken en geef waar gewenst bijkomende opties. Ontlok uitspraken over verandering. 
Preparatie  Evalueer de kracht van de cliënt zijn toewijding. Sterke verbale statements zijn niet noodzakelijk een teken van sterke toewijding.  Verken barrières en mogelijke oplossingen Werk aan copingvaardigheden Versterk de commitment van de cliënt 
Actie  Supporter en bemoedig Ondersteun de cliënt in zijn stappen op weg naar verandering Focus op successen Verstevig en bevestig de cliënt zijn toewijding 
Consolidatie  Help de cliënt valkuilen identificeren en strategieën te ontwikkelen om herval te voorkomen Herbekijk het actieplan regelmatig 
Terugval  Reageer empathisch Verken de factoren die tot de crisis hebben geleid en deze onderhouden Verken welke factoren eerder geholpen hebben Voorkom demoralisatie door de terugval te normaliseren 

 

2. Het kader van Miller en Rolnick  

 

Miller en Rolnick beschrijven concrete motivationele gespreksvoering. Daartoe is het vereist dat cliënt en hulpverlener als gelijkwaardigen in gesprek gaan: de cliënt is expert in zijn eigen context, de hulpverlener is expert in het thema. Beiden vinden elkaar en volgen een vaste opbouw waarbij de kernprocessen een voor een moeten afgewerkt worden vooraleer kan overgegaan worden naar een volgend stadium. Te snel gaan geeft wrijving en werkt blokkerend. Bij ieder kernproces hoort een eigen werkstijl, een ander doel en andere gespreksvaardigheden.  

 

Kernprocessen  Stijl   Doel  Gespreksvaardigheden  
Relatieopbouw  Patiënt laten vertellen   HV wil vanuit perspectief v patiënt naar situatie k kijken  Open vragen Reflecteren Bevestigen Samenvatten  
Focussen  Gelijkwaardig overleg  Scherpstellen doel gesprek/begeleiding  Info geven Feedback geven Exploreren bezorgdheden supporters Bevestigen patiënt 
Ontlokken  Patiënt laten vertellen en erkenning geven   – Expliciteren ambivalenties – Verandertaal ontlokken en versterken – Behoudtaal uiten  – Wrijving ventileren   Ontlokkende vragen Verkennen waarden & doelen Uitwisselen info Selectief reflecteren Samenvatten Bevestigen  Autonomie bevestigen  Herkaderen Aandacht verleggen  
Plannen  Gelijkwaardig overleg  – Opstellen plan – Betrokkenheid +++ – Veranderen steunen 

 

Relatieopbouw. Tijdens het eerste proces van relatieopbouw en het samen engageren zal de therapeut via gerichte  tussenkomsten de patiënt uitnodigen te vertellen, met als doel zelf vanuit het perspectief van de patiënt naar een situatie te kunnen kijken.  De hulpverlener stuurt hierbij deels door bepaalde zaken meer aandacht te geven. Hij geeft niet alleen aandacht aan probleemgedrag, maar zeker ook aan wat nog goed gaat. Daartoe gebruikt hij alle bovenstaande vaardigheden.  

 

Focussen. Het daaropvolgende proces van het focussen is gericht op het duidelijk krijgen van doelen en richting van begeleiding vanuit gelijkwaardig overleg tussen patiënt en hulpverlener. Daarvoor gebruikt de hulpverlener enkele specifieke kernvaardigheden: informatie geven, feedback geven, bezorgdheden van anderen exploreren, bevestigen van de patiënt.  Dat beiden niet direct gemeenschappelijke doelen hebben is veel voorkomend. Vaak mikt de hulpverlener al wat verder dan de patiënt en staat de patiënt nog erg ambivalent tegenover diens doelen. MI is in se voor dit soort situaties ontwikkeld: Motivatie voor verandering ontstaat wanneer de discrepantie toeneemt tussen huidig en gewenst gedrag. De uitdaging bestaat er in niet te gaan overtuigen of beleren maar ambivalentie te ontlokken zodat de patiënt zelf redenen overweegt om te gaan veranderen. Het uitlokken van conflict tussen wat iemand belangrijk vindt en zijn huidige gedrag is hierin de kern. De vraag is niet of en waarom een patiënt gemotiveerd is. Patiënten zijn altijd gemotiveerd voor iets. Duidelijk krijgen waarvoor de patiënt gemotiveerd is, vormt de uitdaging.  

 

Ontlokken van motivatie voor verandering. Het proces van ontlokken van motivatie spitst zich toe op het vergroten van de discrepantie tussen huidig gedrag en gewenst gedrag en het versterken van de innerlijke motivatie. Daartoe is het zinvol om ambivalentie te verkennen. Het kan de patiënt helpen bij het helder krijgen van zijn intern conflict.  

 

  • Als nuttige gespreksvaardigheden verwijzen ze vooreerst naar het werken met verandertaal. MG streeft ernaar dat de patiënt zoveel mogelijk verandertaal gebruikt. Dit vergroot de kans op gedragsverandering. Verandertaal kan versterkt worden via selectieve reflectie, samenvatten, en bevestigen. Nieuwe verandertaal kan ontlokt worden door het stellen van ontlokkende vragen, het verkennen van waarden en doelen, en het uitwisselen van informatie.  
  • Maar ook behoudtaal en wrijving zijn betekenisvol. Kans tot verwoorden van deze taal, doet de emotionaliteit errond afnemen, en geeft plaats voor nieuwe perspectieven. MI definieert behoudtaal en wrijving verschillend: bij gebruik van behoudtaal argumenteert patiënt tegen verandering. Bij ventileren van ‘wrijving’ (vroeger = ‘weerstand’) onthult patiënt over hoe hij de hulpverleningsrelatie ervaart waardoor er kansen komen om vooruit te gaan. Gesprekstechnieken die autonomie bevestigen, herkaderen en aandacht verleggen zijn hier op hun plaats. 

 

Plannen. Tijdens het proces van het plannen is de gespreksstof overgegaan van ‘het belang van veranderen’ naar ‘welk veranderplan is haalbaar’ Het veranderplan krijgt vorm, de betrokkenheid op het plan wordt versterkt, en behaalde veranderingen krijgen steun. 

 

3. Zelfdeterminatietheorie van Ryan en Deci  

 

De zelfdeterminatietheorie van Ryan en Deci geeft antwoord op de vraag hoe de kwaliteit en hoeveelheid motivatie kan verhoogd worden. Hun vertrekpunt is dat mensen pas geneigd zijn om iets te veranderen als hun psychologische basisbehoeften zijn ingevuld.  
Het A-B-C van de motivering verwijst naar de drie basisnoden die voor iedereen moeten ingevuld worden: de nood aan autonomie (A), de nood aan verbondenheid (B) en de nood aan competentie (C) Vaak worden deze noden door -onbedoeld- gefrustreerd.  

 

Werken aan meer en betere motivatie kan door zowel organisatorisch en interactioneel deze noden maximaal tot hun recht te laten komen in een autonomie ondersteunende, warme en structurerende context.   

 

M. Vansteenkiste, UGent

 

lees meer

Hoe kan ik iemand met een eetprobleem motiveren om hulp te zoeken?

Ken je iemand met een eetprobleem? Maak je je zorgen, maar weet je niet hoe je hem/haar kan motiveren om hulp te zoeken? Hier vind je tips.

Vaak constateren ouders/partner/vrienden het eerst het eetprobleem
Bij het begin van anorexia nervosa, boulimia nervosa of een eetbuistoornis is de neiging om het probleem te ontkennen of te minimaliseren erg groot. Er is geen probleem: Iemand uit je omgeving wil een aantal kilo’s afslanken, hoewel zijn/haar gewicht prima is. De ernst van de eetstoornis neemt meestal toe: vaak vullen alleen maar gedachten over eten/niet eten de gedachtewereld. Sociale activiteiten worden afgebouwd. In de regel valt het probleem het eerst op voor de omgeving. Slechts in tweede instantie ziet de persoon in kwestie zijn/haar gestoord eetgedrag. Meestal is een lange periode van motivering nodig vooraleer hij/zij hulp toelaat. Over het algemeen is iemand met een eetstoornis ervan overtuigd er gemakkelijk alleen bovenop te komen.

Een gesprek aanknopen
De omgang met personen met een eetstoornis is vaak erg moeilijk. Hun denkpatroon wordt vaak zo beheerst door de gedachte aan (niet-) eten, hun lichaamsgewicht en lichaamsvormen, dat het de communicatie erg bemoeilijkt. Vaak zijn ze daarenboven zo bedreven in het verbergen van hun eetstoornis, of in het minimaliseren van de gevolgen, dat een open gesprek erg moeilijk blijkt.

Maak de problemen bespreekbaar. Spreek je kind/partner aan op een ogenblik dat je beiden genoeg tijd hebt. Zorg dat de omgeving voor hem/haar veilig is (zonder mogelijke komst van kinderen, ouders of vrienden). Probeer een luisterend oor te zijn, toon respect, ook al begrijp je jouw kind/partner niet (meer). Wanneer je hem/haar aanspreekt, spreek dan vanuit je eigen bezorgdheid. Vertel wat je gezien hebt en waarover je je zorgen maakt, benoem concrete zaken die niet noodzakelijk met eten of gewicht te maken hebben (bv. zich meer terugtrekken, er triestig uitzien, weinig energie hebben). Vermijd het woordje ‘eetstoornis’ omdat dit weerstand kan oproepen. Gebruik altijd ‘ik’ boodschappen in de conversatie. Druk je gevoelens en bezorgdheid uit op een niet beschuldigende manier. Luister goed naar zijn/haar reactie. Je zal misschien geneigd zijn er tegen in te gaan. Doe dat niet… Stel je in de plaats daarvan open voor vragen en luister aandachtig. In discussie treden over het feit of je kind/partner al dan niet een eetstoornis heeft, heeft geen zin. Het is eigen aan het ziektebeeld te ontkennen dat er een probleem is. Hou rekening met een geprikkelde reactie van je kind/partner. Doe dit begrijpend en zo duidelijk mogelijk. Maar, geloof je dochter/partner ook niet te vlug als hij/zij probeert de ernst van de problematiek te minimaliseren, of zegt dat het zich wel zal oplossen. Dit is juist eigen aan het eetprobleem. Sommigen hebben zo’n schrik van eten dat het zoeken naar hulp grote angsten oproept, en ze daardoor erg weigerachtig staan ten opzichte van hulp. Vaak slepen problemen jarenlang aan, wat de behandeling bemoeilijkt en de kans op volledig herstel verkleint. Herhaal datgene wat je weet, wat je gehoord hebt als antwoord en wat je grootste bezorgdheden zijn. Hou het bij het hier en nu. Maak duidelijk dat het belangrijk is dat hij/zij geholpen wordt door hulp van buitenaf. Overloop samen de mogelijkheden die er zijn om na te gaan of er al dan niet een probleem is (huisarts, gespecialiseerde psychiater, psycholoog). Hou er rekening mee dat één gesprek niet genoeg is om je kind/partner te overhalen om hulp te zoeken. Blijf geduldig en ondersteunend. Zoek samen naar een therapeut, die jullie beiden ligt. Sta zelf ook open voor advies vanuit deze hoek!

Al lijkt het moeilijk, vermijdt het praten over eten (zeker tijdens de maaltijden). Het onderwerp is immers zo beladen dat de neiging ontstaat om je kind/partner de eetstoornis te ‘verwijten’. Ook voor hem/haar is het een probleem waarvoor hij/zij de kracht mist om er alleen bovenop te komen.

Bedenk dat gestoord eten een manier is om met pijnlijke gevoelens en ervaringen om te gaan. Zoek mee naar andere manieren om met deze pijn om te gaan. Wees open en eerlijk en vraag van je kind/partner om dat ook te zijn. Heb aandacht voor de hele persoon en reduceer hem/haar niet tot een eetstoornis.

Zoeken van hulp
Als je ontdekt dat je kind/partner een eetstoornis heeft, ga er dan niet te licht over. Het kan immers gaan over een ernstige aandoening met ingrijpende gevolgen.

Een afspraak met de huisarts kan voor sommigen een tussenstap zijn voor verdere hulpverlening. Daarnaast kan de huisarts ook ondersteunen bij verdere doorverwijzing.

  • Spreek er over met uw arts. De huisarts is degene die het beste de medische ernst en risico’s van het ondergewicht bij anorexia nervosa, het braken bij boulimia nervosa en het overeten bij de eetbuistoornis kan inschatten. Een bloedonderzoek bij de huisarts kan aanwijzingen geven over de ‘haast’ die moet genomen worden. Vraag je arts of er sprake is van levensgevaar. Bij levensbedreigende situaties zal uiteraard spoed vereist zijn.
  • Zoek een therapeut (master in de psychologie of psychiater) die gespecialiseerd is in de behandeling van eetstoornissen. Vraag de therapeut hoe de behandeling er uitziet. Blijf kritisch ten aanzien van personen die beweren ‘het wondermiddel’ voor eetstoornissen te bezitten. Neem tijd om kennis te maken met de therapeut. Vraag een vrijblijvend kennismakingsgesprek (of een korte reeks van therapiegesprekken). Al zal dit in de regel niet kosteloos zijn, het is belangrijk dat uw kind/partner door een deskundige therapeut kan behandeld worden en met de therapeut een respectvolle vertrouwensrelatie kan opbouwen.
  • Zoek een diëtist: De diëtist helpt – aanvullend op het medische en psychologische luik – een regelmatig eetpatroon opbouwen en het lichaam geven wat het nodig heeft. Hierdoor kan het lichaam herstellen en zal de lichamelijke drang naar eetbuien afnemen (als deze voorkomen).

Behandeling
Accepteer dat genezen van een eetstoornis veel tijd kost, help je kind/partner om het nodige geduld op te brengen voor dat langdurige proces. Oefen geen controle uit, je bent beperkt in hetgeen je kan doen om te helpen. Bekijk samen wat je wel kan doen en wat niet. Zorg goed voor jezelf. Bewaar de nodige afstand van je partner/kind, zoek steun voor jezelf.

Belangrijk:
Reduceer je kind/partner niet tot de stoornis en behoud jouw rol als moeder/vader/partner, je hoeft niet de rol van hulpverlener op jou te nemen. Blijf samen de leuke dingen doen die jullie band zo sterk maakt. Benader hem/haar zoals je dit anders ook zou doen, maak contact met de persoon die hij/zij is (in al zijn/haar interesses, kwaliteiten, hobby’s,…) en focus niet op de eetstoornis. Hierdoor kunnen jullie samen positieve ervaringen opdoen.

Lees meer

Downloadlinks tools & fiches

  • 'Motivatie' - tips voor ouders

    Fiche voor ouders rond motivatie en aanleren van gezonde gewoonte

     

    Download
  • E-learning rond motiveren 

    Deze cursus behandelt de verschillende motivationele kaders (Zelfdeterminatietheorie, Transtheoretisch model, Motiverende gespreksvoering) en bestaat uit 5 interactieve modules.

    Naar de site