(Prof. Dr. Sandra Mulkens, Universiteit Maastricht en SeysCentra)
Bij het denken aan eetstoornissen denken mensen vaak het eerst aan anorexia nervosa, problemen met eten, verstoorde relatie met voeding, problemen met lichaamsbeeld,… waarbij de term ARFID vaak nog niet zo bekend is. En dit zowel bij burgers in de algemene bevolking, alsook bij zorgverleners. Anorexia nervosa is doorgaans de meest gekende eetstoornis, ookal komt ze het minst vaak voor.
In de DSM-5 zijn er 2 hoofdcategorieën voedings- en eetstoornissen te herkennen:
ARFID staat voor avoidant/restrictive food intake disorder, of in het Nederlands voor vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis. Kenmerkend voor iemand met ARFID is dat deze personen te weinig en/of te selectief eten, maar i.t.t. de meer gekende eetstoornissen is dit niet gemotiveerd vanuit bezorgdheden rond gewicht of lichaamsvormen. Volgende motivaties komen vaakst voor bij ARFID en zijn in de DSM-5-TR: (1) een gebrek aan interesse in voeding. Deze groep eet vaak wel een normale range van voedingsproducten maar zij eten er te weinig van omdat ze geen honger voelen en snel verzadigd zijn; (2) vermijding vanwege sensorische kenmerken van voeding (geur, kleur, textuur, smaak): deze groep heeft een hardnekkig patroon van specifieke voedselvoorkeuren, ze weigeren dan een specifieke smaak, textuur, kleur,…. Deze groep ervaart ook vaak gevoelens van walging t.a.v. bepaalde voedingsproducten; (3) vermijding van voeding vanwege de angst voor de negatieve gevolgen van eten: om erin te stikken, om te braken of om buikpijn of een allergische reactie te krijgen. Het eetgedrag van personen met ARFID kan gestuurd zijn door één of meerdere van deze motivaties.
Hoewel het eetgedrag bij ARFID niet gemotiveerd is vanuit een wens om slank te zijn, vertoont ARFID wel bepaalde overeenkomsten met AN wanneer de nadruk ligt op ondergewicht en ondervoeding, zeker voor het medische luik. Belangrijk is dat er geen gewichtscriterium gekoppeld is aan de diagnose van ARFID: Iemand met ARFID kan ondergewicht hebben, een normaal gewicht en zelfs overgewicht. Ook bij normaal gewicht of overgewicht kan iemand ondervoed zijn.
Daarnaast komt ARFID ook wel vaker voor dan de andere eetstoornissen, met een levensloop prevalentie van 4,5% (Nicholls-Clow et al., 2024) in vergelijking met een levensloop prevalentie van 0,6-0,9% bij AN, 1-1,5% bij BN en 3-3,5% bij BED. Bij ARFID is de verhouding mannen en vrouwen gelijk verdeeld (5 : 5), terwijl bij andere eetstoornissen vaak meer vrouwen dan mannen de diagnose krijgen (vb.: 1 : 10 bij AN en 3 : 7 bij BED).
Niet elke vorm van “Picky eating” voldoet aan de criteria voor ARFID. Picky eating (~neofobie) komt vaak voor bij jonge kinderen. Prevalentiecijfers uit onderzoek lopen wat uiteen: 14-50%, en dit komt voornamelijk voor op de leeftijd van 2 tot 5 jaar. We moeten dus voldoende differentiëren en doorvragen om uit te klaren of gedrag begrepen kan worden als ‘picky eating’ of toch voldoet aan de kenmerken van ARFID. Belangrijk hierbij te vermelden is dat ARFID op elke leeftijd kan voorvallen: bij jonge kinderen, adolescenten alsook bij volwassenen.
Noch gewicht noch leeftijd vormt dus een criterium om de diagnose ARFID te krijgen. Wel heeft ARFID ingrijpende gevolgen voor de gezondheid en/of het psychosociaal functioneren. Een aantal voorbeelden van gevolgen op medische vlak zijn onvoldoende groeien, ondergewicht, afvallen, deficiënties in voedingsstoffen, afhankelijk worden van sondevoeding of supplementen. Op psychosociaal vlak zijn mogelijke gevolgen: nergens anders kunnen eten dan thuis, niet meekunnen met schoolreis, niet op restaurant kunnen gaan, altijd je eigen eten moeten meenemen,… ARFID belemmert de normale ontwikkeling. Eten is iets wat je elke dag meerdere keren moet doen en als dit niet lukt geeft dit stress, en kunnen mensen hier grote last van ervaren. Deze psychosociale impact wordt vaak intenser vanaf de puberteit, aangezien de jongere merkt dat de ARFID hem/haar dan last begint te bezorgen, bv. uitgaan is niet vanzelfsprekend, vrienden die graag de stad ingaan om een ijsje te gaan eten lukt niet,…
ARFID herkennen is vaak nog een probleem in de huidige zorgverlening. Veel zorgverleners herkennen het beeld van ARFID nog niet. Maar ook schaamte bij de persoon zelf, of geen ziektebesef bij de cliënt kan een reden zijn waarom ARFID lang ongedetecteerd blijft bij iemand. Wanneer een zorgverlener een vermoeden heeft van ARFID dient in eerste instantie een screening te gebeuren. Dit kan aan de hand van bv. de NIAS, de PARDI-AR-Q, SAS en de EDY-Q. Echter, deze vragenlijsten zijn onvoldoende om een diagnose te stellen. Aanvullende diagnostiek is noodzakelijk, zoals: afname van het PARDI interview, een diëtistische analyse, eventueel een bloedonderzoek, een psychologisch onderzoek, en gezinsdiagnostiek (of ouders en/of partner). Uiteindelijke diagnose van ARFID gebeurt doorgaans door een psychologisch en/of medisch professional (klinisch psycholoog, psychiater, kinderarts) en aan de hand van een combinatie van verschillende (psychologische, somatische, diëtistische) gegevens.
Met betrekking tot de behandeling is een vorm van cognitieve gedragstherapie voor de hand liggend bij ARFID. Hierbij dient de CGT steeds afgestemd te worden op de leeftijd van een persoon, op de verstandelijke mogelijkheden van kind/gezin en uiteraard is ook altijd het systeem van belang, zowel bij kinderen, jongeren als volwassenen (bv. partners). Bij de CGT worden zowel exposure als gedragsexperimenten als belangrijke interventies naar voren geschoven bij ARFID. Doel is om negatieve verwachtingen via de exposure te schenden en te weerleggen, waarbij beroep gedaan wordt op het inhibitorisch leermodel, waarbij de cliënt een nieuwe, veiligere betekenis leert die naast de oude angstbetekenis ontstaat en die meer op de voorgrond komt. Hierbij dienen jongeren en volwassenen in staat te zijn om hun verwachtingen te verwoorden (vb. Als ik dit eet, dan …). Dit zijn niet altijd angstige verwachtingen, maar wel steeds om zorgelijke verwachtingen. Bij jongere kinderen wordt meer gebruik gemaakt van het habitueel leermodel, waarbij gewoonten doorbroken en nieuwe, gezondere gewoontes aangeleerd worden o.a. met beloningen. Specifieke voorbeelden van behandelprogramma’s voor kinderen met ARFID zijn het SLIK programma (slikken leren bij kinderen met beperkingen), het SOS-programma (Sensory Oral Sequence approach to feeding) en het PEP-programma (Picky Eating Program) (bij kinderen en jongeren met ASS).
Vooraleer je tot behandeling kan komen, is het ook van belang om een duidelijke casusconceptualisatie te maken. Deze kan de persoon inzicht geven alsook ontschuldigen. Begrijpen dat er een biologische aanleg is voor ARFID is hierbij van belang. Via deze casusconceptualisatie en psycho-educatie kunnen realistische doelen worden opgesteld. Het is niet het doel om iedereen alles te laten eten, maar wel om de negatieve, zorgelijke associaties te doorbreken waardoor eten net iets beter gaat en de impact op het psychosociaal functioneren en de gezondheid minder groot wordt.

Met toestemming hergebruikt; Bron: Mulkens, S., Neimeijer, R., Dumont, E. & Kroes, D. (2024). ARFID bij kinderen, jongeren en volwassenen: Diagnostiek en behandeling. BSL Media & Learning.
Bryant-Waugh, R., Micali, N., Cooke, L., Lawson, E. A., Eddy, K. T., & Thomas, J. J. (2019). Development of the Pica, ARFID, and Rumination Disorder Interview, a multi-informant, semi-structured interview of feeding disorders across the lifespan: A pilot study for ages 10-22. International Journal of Eating Disorders, 52(4), 378-387. https://doi.org/10.1002/eat.22958
Dumont, E., Huskens, B., Seys, D., Rensen, H., Duker, P., & Mulkens, S. (2020). Het SLIK-programma: Behandelprotocol voor vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis bij jonge kinderen. In C. Braet & S. Bögels (Red.), Protocollair behandelen van kinderen en adolescenten met psychische klachten (online protocol). Boom Psychologie & Psychiatrie.
Merz, A.-K., Kramer, L., Nettlau, A., Hilbert, A., & Schmidt, R. (2026). Psychopathology in adults with co-occurring avoidant/restrictive food intake disorder and higher weight. Psychotherapy and Psychosomatics, 95, 39-54. https://doi.org/10.1159/000547450
Mulkens, S., Neimeijer, R., Dumont, E. & Kroes, D. (2024). ARFID bij kinderen, jongeren en volwassenen: Diagnostiek en behandeling. BSL Media & Learning.
Mulkens, S., de Haan, E., Kroes, D., & Dumont, E., (2020). Behandelprotocol voor de vermijdende/ restrictieve voedselinnamestoornis (ARFID) bij jongeren In: C. Braet en S. Bögels (red.). Protocollaire behandelingen voor kinderen en adolescenten met psychische klachten. Amsterdam: Uitgeverij Boom.
Nicholls-Clow, R., Simmonds-Buckley, M., & Waller, G. (2024). Avoidant/restrictive food intake disorder: Systematic review and meta-analysis demonstrating the impact of study quality on prevalence rates. Clinical Psychology Review, 114, 102502. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2024.102502
Thomas, J. J., Becker, K. R., Breithaupt, L., Murray, H. B., Jo, J. H., Kuhnle, M. C., Dreier, M. J., Harshman, S., Kahn, D. L., Hauser, K., Slattery, M., Misra, M., Lawson, E. A., & Eddy, K. T. (2021). Cognitive-behavioral therapy for adults with avoidant/restrictive food intake disorder. Journal of Behavioral and Cognitive Therapy, 31(1), 47-55. https://doi.org/10.1016/j.jbct.2021.01.001
Pediatric Feeding Disorder is een diagnose uit de International Classification of Diseases, die een overzicht geeft van alle medische en fysieke ziekten. PFD omvat alle kinderen die niet veilig, effectief of op een bij de leeftijd passende manier kunnen eten of drinken, wat leidt tot problemen met de groei, voeding of het sociale functioneren, en neemt ook expliciet fysieke domeinen mee (zoals medische oorzaken, kauw- en slikproblemen). Maar ook psychosociale oorzaken kunnen een rol spelen. ARFID is een diagnose uit de DSM, dus een psychiatrische diagnose (eetstoornis), die zich richt op gedragsmatige en psychologische vermijding van voedsel.
Waar PFD vaak veroorzaakt of in standgehouden wordt door een medische of mondmotorische oorzaak en de voedingsvaardigheden vaak verstoord zijn, gaat het bij ARFID eerder om vermijding vanuit psychische factoren, en zijn de vaardigheden zelf doorgaans intact. Volgens de DSM-5-TR criteria van ARFID mag het gedrag ook niet volledig verklaard worden door een actieve, onderliggende medische aandoening.
Kinderen kunnen aan beide diagnoses tegelijk beantwoorden (bv. als de PFD voorkomt uit psychische factoren zoals angst of stress aan tafel), of een aanvankelijke diagnose PFD kan, nadat de medische oorzaak is opgelost, overgaan in ARFID vanuit bv. negatieve/pijnlijke ervaringen in het verleden die nog steeds vermijdingsgedrag geven.
Meer lezen:
Estrem, H. H., Pederson, J. L., Dodrill, P., Romeo, C., Thompson, K., Thomas, J. J., Zucker, N., Noel, R., Zickgraf, H., Menzel, J., Lukens, C. T., Goday, P. S., MacLaughlin, S., & Sharp, W. G. (2025). A US-based consensus on diagnostic overlap and distinction for pediatric feeding disorder and avoidant/restrictive food intake disorder. The International Journal of Eating Disorders, 58(3), 489–499. https://doi.org/10.1002/eat.24349
Zowel artsen als klinisch psychologen/orthopedagogen zijn wettelijk bevoegd om een (psychodiagnostsche) diagnose zoals ARFID te stellen op basis van de nodige informatie – die eventueel wel multidisciplinair aangeleverd wordt (bv. rond voedingstekorten, gewicht).
De aanbeveling is dat de behandeling van een eetstoornis en ook van ARFID multidisciplinair gebeurt, waarbij ook andere disciplines dan artsen en klinisch psychologen/orthopedagogen bv. diëtist betrokken kunnen zijn.
Contextelementen kunnen helpend zijn of net drempelverhogend zijn in het eetgedrag. Iemand met sensorische gevoeligheid zal bijvoorbeeld niet enkel gevoelig zijn voor smaak en textuur, maar kan evengoed gevoelig zijn voor geluid, visuele overprikkeling, of sociale prikkels.
Daarnaast moeten we bijzonder voorzichtig zijn met druk uitoefenen. Van druk is, ook bij kinderen zonder ARFID, gekend dat het de hoeveelheid voedselinname wel tijdelijk kan vergroten, maar dat het de appreciatie voor voedsel vermindert. Walging kan toenemen en op langere termijn/ in andere situaties het eetgedrag verder doen afnemen.