Voedingsherstel en het begeleiden van eet- en drinkmomenten

Op basis van het individueel groeitraject en de BMI-groeicurve werd een individueel minimaal gezond gewicht (MGG) en optimaal gewicht (OG) bepaald (zie hoofdstuk 5 en Bijlage 6. Minimaal gezond gewicht en optimaal gewicht). Afspraken omtrent de wekelijkse gewichtstoename om het afgesproken minimaal gezond gewicht te bereiken worden gemaakt. Doorgaans raden aanbevelingen een gewichtstoename van 0,5 – 1 kg per week aan bij jonge tieners met een eetstoornis, in opname [15, 44, 45, 92]. Deze aanbeveling ligt dus hoger dan de vooropgestelde gewichtstoename van 0,5 kg per week in de ambulante setting (200-500g/week of 0,3-0,5 kg/week bij chronische en zeer ernstige anorexia nervosa bij oudere individuen) [46, 94]. Toch dient ook vanuit klinische ervaring benoemd te worden dat dit voornamelijk afhangt van de ernst van het ondergewicht. Bij jonge patiënten (<12jaar) of bij ernstige ondervoeding kan het doel op een lagere gewichtstoename gelegd worden, bv. 300g / week (expertgroep).


In de literatuur bestaat er voorzichtige besluitvorming omtrent het gegeven dat er méér gewichtstoename merkbaar is, en daaraan gelinkt minder noodzaak tot gebruik van sondevoeding (nasogastric feeding), wanneer er eetondersteuning of positieve supervisie is tijdens de eetmomenten bij patiënten met anorexia nervosa [93]. Hoewel deze besluitvorming hoofdzakelijk gestoeld is op observationeel onderzoek, kunnen er een aantal terugkerende elementen en good practices worden opgelijst [expertgroep, 46]. De haalbaarheid van deze richtlijnen dient binnen elke pediatrie-setting te worden afgewogen ten aanzien van de bestaffing en de logistieke middelen die er zijn [46, 47].

Bij patiënten met anorexia nervosa kunnen volgende richtlijnen meegenomen worden:

  • Eetmomenten onder toezicht van een teamlid (bv. leefgroepbegeleider, verpleegkundige)
    • Indien onvoldoende beschikbaar personeel kunnen ook ouders, familie, vrienden als supervisoren eetmomenten dienen.
  • Op vaste uren aan tafel met een tijdslimiet (maximaal 30 minuten voor hoofdmaaltijden, maximaal 15 minuten voor tussendoortjes, 5 minuten voor energierijk drankje of bijvoeding).
  • Geen discussie of onderhandeling over een geplande maaltijd
  • Geen speciale dieetwensen (vegetarisch, vegan, lactosevrij, …), tenzij langdurige medische of andere aanwijzingen, of testresultaat voor de speciale dieetwens
  • Na elke hoofdmaaltijd 45 tot 60 minuten rust / post meal support, en na elke snack 30 minuten rust / post meal support
    • Deze “post-meal support” kan door middel van rust op het bed gebeuren (afhankelijk van het medische risico), maar dient vooral om de patiënt door een moeilijke tijd te helpen wanneer de eerstoornis de jongere waarschijnlijk verschillende intense emoties zal laten voelen (schuldgevoel, zelfverwijt,…). Deze steun na de maaltijd kan door een afleidende activiteit te doen (praten, bespreken wat de eetstoornis zegt op dat moment, lezen, tv kijken, scrollen op gsm), te ontspannen (met voorafgaande geleerde technieken, ademhalingsoefeningen), of een sociale activiteit [47]. Toch dient hierbij opgemerkt te worden dat vanuit klinische ervaring ook blijkt dat dit op een drukke pediatriedienst in realiteit niet altijd even haalbaar is.
  • Aanmoedigen om het toiletbezoek vóór de maaltijd en bijhorende rustperiode te plannen (niet tijdens de rust)
    • Een Australische praktijkgerichte gids voor eetstoornissen bij kinderen en jongeren uit 2018 [22] geeft als advies om geen toiletbezoek 1 uur na de maaltijd toe te laten om braken of ander compensatiegedrag te voorkomen
    • Een andere Australische richtlijn uit 2020 [47] geeft als advies om verstoord eet- en beweeggedrag tot 30 minuten na de maaltijd te monitoren
  • Monitoren en registreren van voedsel- en vochtinname
  • Doelen en grenzen stellen in verband met eten, gewicht en somatische toestand i.f.v. doorbreken compensatiegedrag. Het kan moeilijk zijn om volhardend te zijn over de voedselvereisten, zeker wanneer de patiënt veel stress ervaart. Toch is het belangrijk om grenzen te stellen, verwachtingen te duiden en niet te discussiëren over de vooraf gemaakte afspraken [22]:
    • niet spelen met eten
    • eten ook aanraken met de lippen
    • leren variëren
    • geen servetten of rietjes gebruiken
    • geen eten aan de rand van het bord of kom uitsmeren
    • geen light of magere producten, geen cafeïne
    • geen bruiswater
    • geen kauwgom of muntjes
    • geen voeding van thuis meebrengen (belangrijk: dit is verschillend van bij patiënten met ASS en/of ARFID, zie hieronder)

Bovenstaande kan dus een doelstelling zijn, maar is vaak te moeilijk om onmiddellijk te verwachten.

Bij patiënten met ARFID is er uiteraard ook nood aan positieve ondersteuning, maar dit heeft een deels andere invulling dan bij AN, omdat de ondersteuning gericht is op angst om te proeven overwinnen en niet op angst voor gewichtstoename. Volgende elementen zijn belangrijk:

  • een positieve sfeer, waarbij druk om te eten vermeden wordt
  • blootstelling, door te ontdekken, op een speelse manier: verkennen met alle zintuigen, gelijkenissen ontdekken tussen voedingsmiddelen etc.
  • Bij elke maaltijd veilige voeding aanbieden, gescheiden van nieuwe voedingsmiddelen; voeding van thuis mag gerust meegebracht worden