Motiveren van hulpverleners

Onderzoek toont aan dat hulpverleners die werken met patiënten met een eetstoornis en hun ouders reacties kunnen vertonen zoals boosheid, angst, hulpeloosheid en onmacht [2, 68]. Deze intense gevoelens zijn te verwachten aangezien de patiënt vanuit een allesoverheersende angst om bij te komen (bij AN) of angst voor de sensorische gewaarwording/desinteresse in voeding (bij ARFID) allerlei gedragingen stelt om dit te vermijden, wat onvermijdelijk conflicten geeft in de omgeving van de patiënt.

De veranderingscirkel van Prochaska en Diclemente (zie Figuur 3) toont concreet hoe het proces van gedragsverandering in verschillende stappen verloopt. Het bewustzijn van deze stappen kan ons als zorgverlener helpen het tempo van de patiënt te respecteren, correcte verwachtingen te scheppen en afhankelijk van in welke fase van het veranderingsproces een persoon zich bevindt, de persoon te helpen zijn eigen motivatie voor verandering te versterken [63].

In de eerste stap van het model, de precontemplatie fase, is de patiënt zich niet bewust van het probleem en heeft hij/zij geen intentie om te veranderen. In de tweede stap, de contemplatiefase, wordt de patiënt zich bewust van het probleem en begint hij/zij zich af te vragen of er iets aan zijn eetgedrag (of ander gedrag dat verstoord is i.k.v. de eetstoornis) moet veranderen. In de derde stap, de voorbereidingsfase, begint de patiënt plannen te maken voor verandering en begint hij/zij met het zetten van eerste verkennende stappen, zoals het proberen proeven van een voorheen “verboden” voedingsmiddel. In de vierde stap, de actiefase, gaat men daadwerkelijk meer eten en minder bewegen, en begint men met het opbouwen van een leven zonder de eetstoornis. In de vijfde stap, de consolidatiefase, probeert men het nieuwe gedrag te bestendigen en te integreren in het dagelijkse leven. En ten slotte kan de patiënt terugvallen, maar dit maakt deel uit van het veranderingsproces en met de juiste hulp kan hij/zij zich weer herpakken.

Rekening houdend met het vaak moeizame herstel komen hieronder een aantal algemene tips aan bod om als zorgverlener met gevoelens van onmacht om te gaan [2, 22]. Net zoals de patiënt heeft de hulpverlener immers een inherente basisbehoefte aan autonomie, verbondenheid en competentie; alsook bevindt de hulpverlener zich vaak in een andere fase van de gedragsveranderingscirkel dan de patiënt.

Autonomie

Het is normaal dat iedere hulpverlener vanuit zijn eigen referentiekader omgaat met patiënten, en mede op basis hiervan interpretaties geeft aan gebeurtenissen die zich voordoen tijdens de behandeling. Vanuit praktijkervaring blijkt dat deze verschillen niet volledig weggewerkt hoeven te worden binnen een pediatrie-team. Niettemin is er wel nood aan een gezamenlijk behandelplan waar elke hulpverlener zich in kan vinden, zodat men als zorgverstrekker het gevoel krijgt autonoom en overtuigd te kunnen handelen, wat de motivatie van de zorgverlener ten goede komt. Praktijkgerichte ervaring leert dat systematische overlegmomenten met het team en duidelijke info-overdracht van groot belang zijn om een gezamenlijk behandelplan te onderschrijven en eventuele verschillen inzake visie te bespreken. Door één en dezelfde behandelvisie aan te houden en zich consistent aan gemaakte afspraken te houden, worden gemengde boodschappen en gevoelens, kansen tot niet-helpende discussies, en misverstanden gereduceerd [22]. Dit teamoverleg bestaat primair uit een overleg tussen de kinderarts, diëtiste en psycholoog waarbij elkeen bij aanvang van het overleg de relevante info heeft verzameld (i.e. fysiologische parameters, eetgedrag, psychologische events, informatie vanuit de verpleegkundige overdracht). Het vastleggen/bijstellen van de doelen en het beleid wordt na het overleg op transparante wijze aan de verpleegkundigen gecommuniceerd (gebaseerd op praktijkervaring).

PRAKTIJKTIP


Gezien de therapie-doelen doorheen de behandeling een dynamisch gegeven zijn, is het zinvol om wijzigende doelen/aandachtspunten/afspraken heel concreet te vermelden in het opname-dossier, zodat ook het verplegend personeel (dat frequente wissels kent qua diensturen) een continuïteit in informatie en updates krijgt, en niet louter afhangt van het overdrachtsmoment na het teamoverleg.

Verbondenheid

Een eetstoornis kan druk zetten op de therapeutische relatie die je als hulpverlener hebt met de patiënt. Maak een onderscheid tussen de eetstoornis en het kind of de jongere: interpreteer verstoorde eetgedragingen als een inleefbare reactie op een waargenomen dreiging uit de eetstoornis (namelijk meer moeten eten of niet mogen bewegen) in plaats van een persoonlijke motivatie vanuit de patiënt om het de hulpverlener “lastig te maken”. Externaliseer de eetstoornis en zijn gerelateerde gedragingen, ze zijn immers maar een deel van het kind of de jongere (het probleem is niet het kind of de jongere zelf maar de eetstoornis), en tracht voorzichtig connectie te maken met het gezonde, vaak ondergesneeuwde deel van de identiteit van de patiënt. Verstoorde eetgedragingen kunnen op die manier beschouwd worden als een onweerstaanbare drang die voortkomt uit de eetstoornis (en niet uit de patiënt). Zonder bijkomende steun van het zorgteam en oprechte interesse van de hulpverlener in wie de patiënt echt is, is het moeilijk voor de patiënt om deze dysfunctionele gedragingen te reduceren [2].

De soms moeizame behandeling van eetstoornissen op een dienst kan mogelijks ook druk zetten op de professionele relatie met collega hulpverleners. Identificeer moeilijke momenten en situaties (bijvoorbeeld eetmomenten) en ondersteun teamleden om hiermee om te gaan. De psycholoog binnen het team kan hier mogelijks een rol opnemen om af te toetsen waar mogelijke frustraties zich bevinden. Normaliseer moeilijke momenten als onderdeel van het begeleiden van een eetstoornis en geef aan wat teamleden kunnen doen. Zo kunnen teamleden moeilijke momenten onderling bespreken (ventileren) om een escalatie van stress te voorkomen. Schakel bijvoorbeeld tijdelijk meer begeleiding in om voor afleiding te zorgen tijdens het eetmoment indien dit erg beladen verloopt. Indien mogelijk of wenselijk, kan de hoofdverpleegkundige in overleg met de andere verpleegkundigen, ervoor kiezen om zoveel als mogelijk dezelfde verpleegkundigen in te schakelen voor de verzorging van de patiënten met een eetstoornis. Deze continuïteit verhoogt vaak de transparantie in communicatie, afstemming en vertrouwen tussen de verpleegkundige en de patiënt.

Competentie

Hulpverleners die werken met patiënten met een eetstoornis worden wel vaker uitgedaagd wat betreft hun gevoel van competentie als hulpverlener. Het is belangrijk om in het werken met eetstoornispatiënten binnen een kortdurende medisch-pediatrische opname realistische behandeldoelen voor ogen te hebben. Daarnaast zijn bovenvermelde duidelijke en consequente huisregels van belang. De eetstoornis zet patiënten namelijk veelal aan om het behandelplan en de kennis van zorgverstrekkers in vraag te stellen. Een gezamenlijk onderschreven behandelplan en duidelijke afspraken helpen als houvast wanneer moeilijke gevoelens opduiken. Tracht hierbij een concrete vraag van de patiënt omtrent een verandering in het beleid of een extra gunst, steeds even te parkeren en eerst af te stemmen met de verantwoordelijke hulpverleners alvorens reeds afspraken met de patiënt te maken of beloftes te doen.
Naast een gemeenschappelijk behandelplan en teamvisie kan het team ook nagaan wat ieder nodig heeft om zich competent te voelen in het werken met deze doelgroep. Vanuit Eetexpert wordt bv. een e-learning Eetstoornissen op pediatrie (aan te vragen bij secretariaat@eetexpert.be) aangeboden. Een open klimaat waarbinnen hulpverleners vanuit verschillende disciplines bij elkaar te rade kunnen gaan voor vragen en advies is bevorderlijk voor een goede teamwerking.