Sport draagt bij aan een goede fysieke en mentale gezondheid. Tegelijk brengt de sportcontext ook specifieke uitdagingen met zich mee. In sommige sporten ligt de nadruk sterk op prestaties, lichaamssamenstelling of gewicht. Dat kan het risico op een moeilijke relatie met eten, bewegen of het lichaam vergroten.
Een gezonde sportomgeving vertrekt daarom niet vanuit gewicht of uiterlijk, maar vanuit gezondheid, welzijn en ontwikkeling. Coaches, trainers, ouders, sportclubs en zorgverleners spelen daarin een belangrijke rol.
Op deze infopagina vind je hoe je sporters weerbaar kan maken tegen de ontwikkeling van eet- en gewichtsproblemen en hoe preventie hiervan er binnen de sportclub kan uitzien. Daarnaast ontdek je hoe je energietekort, zoals bij LEA en REDs, maar ook eetstoornissen bij sporters kan herkennen. Je vindt er ook informatie over hoe je sporters met een energietekort of eetproblematiek op een gepaste manier kan ondersteunen.
Coaches, trainers, bestuurders en andere leden van de sportclub spelen een belangrijke rol in het fysieke en mentale welzijn van sporters. De manier waarop zij omgaan met voeding, prestaties en lichaamsbeeld beïnvloedt hoe sporters naar zichzelf en hun lichaam kijken. Daarmee kunnen ze een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen van eet- en gewichtsproblemen bij sporters.
Een gezonde sportcultuur legt de nadruk op inzet, ontwikkeling, samenwerking en sportplezier.
In de sportclub zijn alle lichaamstypes welkom en wordt iedereen gerespecteerd. Zorg ervoor dat foto’s, affiches, sociale media en promotiemateriaal diversiteit in lichamen, leeftijden, culturele achtergronden en niveaus weergeven. Wanneer sporters zichzelf herkennen in de beelden van een club of federatie, voelen ze zich welkom en gewaardeerd. Zo wordt duidelijk dat sport niet alleen voor maatjes binnen het plaatje is en/of sport alleen het doel heeft om een maatje binnen het plaatje te bereiken. Een sterke focus op gewichtsverlies in combinatie met sporten kan bovendien averechts werken: wanneer het gewenste gewichtsverlies uitblijft, kan de motivatie om te sporten afnemen of men zelfs stoppen met sporten. Daarnaast kan een te sterke focus op gewichtsverlies ongezond eet- en beweeggedrag in de hand werken.
Vermijd opmerkingen of grappen over gewicht, lichaamsvorm of voeding, ook wanneer ze goed bedoeld zijn. Stimuleer sporters om hun lichaam te waarderen om wat het kan, niet om hoe het eruitziet. Wees ook bewust van de invloed van bepaalde sportkledij of weeg- en meetmomenten op het lichaamsbeeld van sporters.
Ook sporters met een hoger gewicht moeten zich welkom en gerespecteerd voelen binnen de sportclub. Een focus op gezondheid, plezier en persoonlijke vooruitgang draagt meer bij aan motivatie en welzijn dan het nastreven van gewichtsverlies. Ook zonder gewichtsverlies kan sporten belangrijke gezondheidsvoordelen opleveren.
Een gezonde sportleefstijl draait om meer dan voeding en voldoende bewegen. Een gezonde sportleefstijl omvat ook lief zijn voor jezelf en je lichaam, emoties hanteren, voldoende en kwaliteitsvol slapen en sociale verbondenheid. De verschillende leefstijlthema’s van ALLES♥ versterken elkaar en dragen bij aan het welzijn van sporters én aan de preventie van eet- en gewichtsproblemen.
Voeding ondersteunt groei, herstel en prestaties. In de sportclub kan er een positieve en ontspannen omgang met voeding gestimuleerd worden. Vermijd éénzijdige boodschappen over gewicht, calorieën of ‘goede’ en ‘slechte’ voedingsmiddelen.
Help sporters voeding te zien als noodzakelijke brandstof voor hun lichaam, niet als iets waar ze voortdurend mee bezig moeten zijn. Deze brandstof is niet alleen belangrijk om goed te kunnen sporten, maar ook voor de dagelijkse werking van ons lichaam. Eetvaardigheden spelen daarbij een belangrijke rol.
Plezier in bewegen vergroot de kans dat sporters blijven sporten. Creëer daarom een omgeving waarin sporters niet alleen presteren, maar ook genieten van bewegen, uitdagingen aangaan en succeservaringen opdoen. Sporten draait niet om calorieën verbranden of het lichaam veranderen. Moedig sporters aan om een evenwicht te vinden tussen sport en andere levensdomeinen.
Help sporters om hun lichaam te waarderen om wat het kan. Geef complimenten over inzet, samenwerking, techniek en doorzettingsvermogen, niet over gewicht of uiterlijk.
Vermijd vergelijken tussen sporters en wees je bewust van de impact van je eigen uitspraken over voeding, gewicht en lichaamsvorm. Op onze fiche ‘body buddy’ lees je meer tips om lichaamstevredenheid te versterken.
Sport gaat gepaard met allerlei emoties: enthousiasme, spanning, trots, frustratie, teleurstelling of onzekerheid. Help sporters om deze emoties te herkennen, te benoemen en ermee om te gaan. Denk aan situaties zoals verliezen, een fout maken, iets heel graag willen maar het nog niet kunnen, minder goed spelen dan gehoopt of een doel niet halen. Dit zijn normale ervaringen binnen de sport en bieden kansen om te leren omgaan met tegenslag en teleurstelling. Geef ook aandacht aan de positieve emoties bij winst, eigen grenzen verleggen, trots… En vier samen kleine successen met de sporter. Creëer in de sportclub een klimaat waarin emoties bespreekbaar zijn en waarin sporters zich veilig voelen om hun gevoelens te delen. Zo ondersteun je zowel hun welzijn als hun sportprestaties.
Slaap is essentieel voor herstel, groei en prestaties. Besteed aandacht aan voldoende rust en herstelmomenten en benadruk dat goede prestaties niet alleen afhangen van hard trainen.
Verbondenheid met anderen is een belangrijke beschermende factor voor het mentaal welzijn van sporters. Wanneer sporters zich welkom voelen, erbij horen en zich gesteund voelen binnen hun sportclub of team, draagt dit bij aan een positief lichaamsbeeld, een gezonde relatie met eten en meer zelfwaardering.
Infofiche ALLES ❤︎ – afwisselend eten – sport
Eten met sport-specifieke eetcompetenties.
Infofiche
1h 15m 32s
– 250 KB
Eetvaardigheden zijn de vaardigheden en attitudes die helpen om op een evenwichtige manier met voeding om te gaan, zonder dat voeding een bron van stress, controle of schuldgevoel wordt.
We spreken ook over competent eetgedrag waarbij er niet alleen aandacht is voor wat een sporter eet, maar ook voor hoe, wanneer en waarom er wordt gegeten.
Competent eetgedrag bestaat uit vier eetvaardigheden, de 4G’s.
Gestructureerd
Regelmatige maaltijden en tussendoortjes helpen om de energievoorraad op peil te houden. Zeker op drukke school, werk- en/of trainingsdagen vraagt dit een goede planning. Een goede eetstructuur ondersteunt de concentratie, het herstel en de prestaties.
Genieten
Eten mag lekker zijn. Genieten van voeding én van eetmomenten hoort bij gezond eetgedrag. Moedig sporters aan om voeding niet alleen functioneel te bekijken, maar ook als iets positiefs en plezierigs. Help hen om naar hun lichaam te luisteren en zichzelf voldoende energie, flexibiliteit en plezier in eten te gunnen.
Genoeg
Sporters hebben voldoende energie nodig om te trainen, te herstellen en hun lichaam goed te laten functioneren. Te weinig eten vergroot het risico op een energietekort, vermoeidheid, blessures en verminderde prestaties. Leren luisteren naar signalen van honger en verzadiging helpt sporters beter af te stemmen op wat hun lichaam nodig heeft. Stimuleer de sporters om voor trainingen voldoende te eten en om na een training de lege tank terug aan te vullen.
Gevarieerd
Variatie zorgt ervoor dat sporters voldoende verschillende voedingsstoffen binnenkrijgen. Dit ondersteunt zowel groei, prestaties als herstel. Stimuleer sporters om gevarieerd te eten en open te staan voor nieuwe smaken, producten en maaltijden.
Meer informatie over gevarieerde voeding vind je in de voedingsdriehoek van Gezond Leven.
De vier eetvaardigheden blijven belangrijk, ongeacht leeftijd of sportniveau. Wel verandert de invulling ervan naarmate sporters meer trainen of hun sport op een hoger niveau beoefenen.
Een recreatieve sporter heeft andere voedingsnoden dan een topsporter. Ook leeftijd, groeifase, trainingsbelasting en het type sport spelen een rol. Daarom worden voedingsadviezen steeds afgestemd op de individuele sporter.

Een gezonde basisvoeding, samen met de vier eetvaardigheden, vormt het fundament van sportvoeding. Ze levert alle voedingsstoffen die het lichaam nodig heeft: koolhydraten, eiwitten, vetten, vitamines, mineralen, vocht en voedingsvezels.
Hoe intensiever iemand sport, hoe belangrijker de timing, de hoeveelheid en de samenstelling van de voeding worden. Toch blijft een evenwichtige basisvoeding altijd het vertrekpunt.
Sportproducten of supplementen kunnen gewone voeding aanvullen, maar nooit vervangen.
Recreatieve sporters (in de fasen Actieve Start, Fundament en Leren trainen) kunnen zich laten inspireren door de voedingsdriehoek. Variatie is daarbij essentieel, zodat het lichaam alle nodige voedingsstoffen binnenkrijgt voor groei, ontwikkeling, herstel en prestaties.
Wanneer (competitie)sporters meerdere keren per week trainen (de fase Train to Train), is extra aandacht voor sport specifieke voeding zinvol.
De basisvoeding volstaat dan niet altijd om optimaal tegemoet te komen aan de energie- en herstelbehoeften van de sporter. Je kan dan ondersteunen met goede sportvoeding.
Extra aandacht gaat dan onder meer naar:
Als coach geef je geen voedingsadvies, maar je kan sporters wel stimuleren om voldoende aandacht te hebben voor hun eet- en drinkmomenten. Je kunt hen bijvoorbeeld aanmoedigen om vóór een training niet met een lege maag te starten, na een training iets te eten en te drinken om het herstel te ondersteunen, en om voldoende eten en drinken mee te nemen naar trainingen en wedstrijden.
Afhankelijk van de duur en intensiteit van de inspanning kunnen sportdranken, sportrepen of sportgels een plaats krijgen. Ze vervangen echter nooit de basisvoeding, maar vullen deze aan.
Voor topsporters in de fasen Train to Compete en Train to Win wordt voeding steeds individueler.
Voor topsporters is samenwerking met een sportdiëtist aangewezen.
Aandachtspunten
Sportvoeding steunt op vier belangrijke bouwstenen: energie (koolhydraten), herstel (eiwitten), bescherming (vitamines, mineralen en vetten) en vocht (water). Hieronder lees je per bouwsteen wat belangrijk is en waar je op kan letten.
Koolhydraten zijn de belangrijkste energiebron voor langdurige en intensieve inspanningen. Het lichaam slaat koolhydraten op in de lever en de spieren als glycogeen. Tijdens een inspanning worden deze voorraden aangesproken om energie te leveren. Bij een grote lichamelijke inspanning kan het nodig zijn om tussentijds de voorraden weer aan te vullen (bv. een snack tijdens het sporten). Wanneer de glycogeenvoorraden te laag worden, schakelt het lichaam over op het verbranden van vetten en eiwitten. Deze energie wordt trager geleverd, wat betekent dat inspanningen met een hoge intensiteit niet meer kunnen worden uitgevoerd.
Bij een tekort aan koolhydraten gaat het lichaam meer eiwitten (aminozuren) gebruiken als energiebron. Deze eiwitten zijn bedoeld voor de opbouw en het herstel van spieren. Een tekort aan koolhydraten kan daardoor niet alleen leiden tot verminderde prestaties, maar ook tot een minder goed herstel en een verminderde spieropbouw.
Hoe hoger de trainingsbelasting, hoe groter het belang van voldoende koolhydraataanvoer. De benodigde hoeveelheid hangt af van onder andere:
Ook de timing van koolhydraten is belangrijk. Na een inspanning nemen spieren koolhydraten sneller op, waardoor glycogeenvoorraden efficiënter worden aangevuld. Na een training eet je dus best nog wat koolhydraten om je tank terug aan te vullen. (bv. je avondmaal met rijst/pasta/aardappelen, yoghurt met fruit, …) Dit ondersteunt herstel en zorgt ervoor dat de sporter opnieuw voldoende energie heeft voor volgende trainingen of wedstrijden.
Aandachtspunten
Eiwitten zijn belangrijke bouwstoffen voor spieren en andere lichaamsweefsels. Ze ondersteunen groei, herstel en aanpassing aan training.
Na een training is het herstelvermogen van het lichaam verhoogd. Door tijdig eiwitten (bv een glas chocomelk, yoghurt met fruit…) in te nemen, ondersteunen sporters hun spierherstel en bereiden ze zich beter voor op een volgende inspanning.
Aandachtspunten
Vitamines, mineralen en sporenelementen zijn onmisbare hulpstoffen voor het lichaam. Zij zorgen ervoor dat alle processen in het lichaam goed verlopen. Sporten verhoogt de behoefte aan een aantal vitamines die betrokken zijn bij de eiwit- en/of energiestofwisseling. Omdat een sporter meer moet eten, kan hij makkelijker meer vitamines en mineralen uit zijn voeding halen. Mits men een gevarieerd eetpatroon heeft.
Vetzuren die het menselijk lichaam niet zelf kan aanmaken worden essentiële vetzuren genoemd. Met name onverzadigde vetzuren (bv in noten, zaden, vette vis, avocado…) zijn essentiële vetzuren voor onder andere lichaamscellen, de ogen, de hersenen en de hormonen. Belangrijke hormonen en vitaminen (zoals A, D, K en E) zijn alleen oplosbaar in vet en hebben vet nodig als transportmiddel. Vetten zijn daarnaast nodig voor het functioneren van het immuunsysteem en het remmen van ontstekingen in het lichaam.
Aandachtspunten
Sommige jonge sporters eten weinig of niet graag groenten en fruit. Positieve en herhaalde blootstelling werken beter dan druk of verplichting.
Water speelt een rol bij het transport van voedingsstoffen, het afvoeren van afvalstoffen en het regelen van de lichaamstemperatuur. Door te sporten stijgt onze lichaamstemperatuur. Om af te koelen gaat ons lichaam zweten.
Tijdens een inspanning gaat er dus heel wat vocht verloren via zweet en dat heeft impact op de prestaties van de sporters. 1% vochtverlies geeft 10 % prestatieverlies en dit stijgt exponentieel. Het is belangrijk dat men zijn vochtbalans zo goed mogelijk op peil houdt: niet alleen tijdens, maar ook vóór en ná het sporten moet er goed water gedronken worden.
Aandachtspunten
Coaches hebben een belangrijke invloed op hoe sporters omgaan met voeding, hun lichaam en hun sport. Ze bepalen mee de sfeer binnen een team en kunnen bijdragen aan een omgeving waarin sporters zich op hun gemak voelen om vragen of zorgen te bespreken.
De rol van een coach is niet om voedingsadvies te geven of een eetstoornis te behandelen. Wel kan een coach gezonde gewoonten stimuleren, signalen opmerken en sporters helpen om tijdig de juiste ondersteuning te vinden.
Een coach draagt bij aan een gezonde sportomgeving door:
De manier waarop er in de club wordt gepraat over voeding, gewicht en uiterlijk heeft invloed op hoe sporters naar zichzelf kijken.
Leg daarom de nadruk bij voorkeur op gezondheid, energie, herstel, vaardigheden en ontwikkeling. Vermijd uitspraken die gewicht of uiterlijk rechtstreeks koppelen aan prestaties. Er bestaat geen ideaal sportlichaam. Sportprestaties worden beïnvloed door een samenspel van factoren zoals aanleg, training, techniek, herstel, motivatie en voeding.
Ook goedbedoelde opmerkingen kunnen onbedoeld kwetsend zijn. Een opmerking over gewichtsverlies of een ‘sportiever’ uiterlijk kan de indruk wekken dat een bepaald lichaamsgewicht nodig is om goed te kunnen presteren.
Een sportomgeving waarin verschillende lichaamsvormen worden gerespecteerd, helpt sporters een positiever lichaamsbeeld te ontwikkelen en verkleint het risico op eetstoornissen.
Sportkledij kan een grote invloed hebben op hoe sporters zich voelen in hun lichaam. Strakke, onthullende of weinig comfortabele sportkledij kan ervoor zorgen dat sporters zich onzeker voelen of voortdurend bezig zijn met hoe hun lichaam eruitziet, in plaats van met het plezier en de prestaties in hun sport.
Probeer om sporters keuzevrijheid te geven in hun outfit. Denk bijvoorbeeld aan de keuze tussen een short of lange broek, een aansluitend of losser shirt, of de mogelijkheid om een T-shirt over een topje te dragen. Ook aandacht voor verschillende maten, genderinclusieve keuzes en culturele noden draagt bij aan een veilige sportomgeving waar iedereen zich welkom voelt.
Het doel is dat sporters zich comfortabel voelen, zodat de aandacht kan gaan naar bewegen en presteren, niet naar hun lichaam.
Weeg- en meetmomenten kunnen grote impact hebben op sporters. Weeg- en meetmomenten worden zo veel mogelijk beperkt in de sportclub. Een meting is alleen zinvol wanneer er een duidelijke reden voor is en de resultaten ook gebruikt worden om de begeleiding, training, voeding, gezondheid of het herstel van de sporter beter af te stemmen. Routinematig wegen, groepswegingen, gewichtsdoelen opleggen of sporters met elkaar vergelijken op basis van gewicht worden afgeraden.
Toch wegen of meten? In sommige situaties kan een meting zinvol zijn. Het is dan belangrijk om vooraf stil te staan bij het doel van de meting, de mogelijke impact op de sporter en hoe je met de resultaten omgaat. In de infofiche ‘wegen en meten in de sport’ lees je meer over wanneer het wel aangewezen kan zijn en hoe je dit op een veilige manier aanpakt.
Infofiche – wegen en meten in de sport
Hoe ga je om met wegen en meten in de sportclub?
Infofiche
– 140 KB
Sporten vraagt veel van je lichaam. Trainen is belangrijk, maar ook voldoende eten, drinken, slapen, herstellen en tijd maken voor ontspanning horen erbij. Door goed voor jezelf te zorgen, geef je je lichaam wat het nodig heeft om te groeien, te herstellen en met plezier te sporten.
Ben je als sporter opzoek naar meer informatie over hoe een gezonde sportleeftstijl er uit kan zien? Neem dan een kijkje op onze verschillende fiches.
Eetstoornissen kunnen bij elke sporter voorkomen, ongeacht leeftijd, geslacht, lichaamsgewicht of niveau. In de sportcontext kunnen eetstoornissen zich ontwikkelen vanuit de wens om beter te presteren of het lichaam te veranderen in functie van de sport.
Gewicht verliezen is dan geen doel op zich, maar een middel om beter te presteren. Daardoor herkennen sporters zichzelf niet altijd in het beeld van een eetstoornis en bestaat het risico dat ook de omgeving het gaat normaliseren. Gewichtsverlies en dieetgedrag zijn echter een van de belangrijkste uitlokkende factoren die een eetstoornis in gang kunnen zetten.
Dat gaat meestal heel geleidelijk. Wat begint als extra aandacht voor voeding of prestatie evolueert bijna geruisloos tot zeer strikte regels rond eten, bewegen of gewicht. In ernstige gevallen nemen gedachten over eten, gewicht en lichaam steeds meer ruimte in en beïnvloeden ook het zelfbeeld, emoties, sociale contacten en ten slotte ook de sportprestaties. We spreken dan over een eetstoornis en dit vraagt altijd om professionele hulp.
Problematisch eetgedrag hoeft niet altijd te wijzen op een eetstoornis. Eetgedrag kan worden beschouwd als een continuüm dat loopt van haperend eetgedrag via een eetprobleem tot een eetstoornis.
Veel sporters maken tijdens hun ontwikkeling wel eens een tijdelijke hapering door in hun eetgedrag. Ze eten bijvoorbeeld een periode minder gevarieerd, slaan af en toe een maaltijd over of experimenteren met andere eetgewoonten. Dit kan deel uitmaken van het zoeken naar een goed evenwicht tussen sporten, voeding en eetgedrag en hoeft op zich geen reden tot bezorgdheid te zijn. Zolang een sporter flexibel blijft omgaan met eten en de veranderingen van korte duur zijn, is er meestal geen reden tot ongerustheid.
Van een eetprobleem is sprake wanneer eten niet langer vanzelfsprekend en ontspannen verloopt. Een sporter heeft bijvoorbeeld schuldgevoelens bij wat en hoeveel hij/zij eet, luistert minder naar hongersignalen, neemt te weinig tijd om te eten of kan niet meer genieten van bepaalde voedingsmiddelen. Vooral in sporten waar veel aandacht is voor gewicht, uiterlijk of lichaamsbouw kan de druk toenemen. Wat begint als aandacht voor gezonde voeding of prestatieverbetering kan geleidelijk evolueren naar rigide regels rond eten en bewegen.
Bij een eetstoornis nemen gedachten over eten, gewicht en lichaam steeds meer ruimte in en hebben ze een grote invloed op het dagelijks functioneren. Het eetgedrag, het zelfbeeld, de emoties, sociale contacten en school- of sportprestaties komen onder druk te staan. Ook het lichaam kan gevolgen ondervinden van een eetstoornis, bijvoorbeeld een tekort aan energie en voedingsstoffen, vermoeidheid of andere lichamelijke klachten. Eetstoornissen kunnen voorkomen bij sporters van elk gewicht en elke lichaamsbouw.
Een sporter kan bijvoorbeeld voortdurend bezig zijn met calorieën tellen, zich meerdere keren per dag wegen, geen rustdagen meer toelaten of zich moeilijk concentreren omdat eten en gewicht voortdurend door het hoofd spelen.
Eetstoornissen worden bij sporters vaak niet of pas laat herkend. Sporters kunnen de neiging hebben om verstoord eetgedrag te minimaliseren of te normaliseren en houden hun klachten vaak verborgen. Maar ook trainers, naasten en hulpverleners herkennen de signalen niet altijd omdat er onvoldoende kennis over eetstoornissen is of omdat eetgedrag en de bijbehorende gedachten onvoldoende expliciet worden bevraagd.
Er bestaan verschillende soorten eetstoornissen, zoals anorexia nervosa, boulimia nervosa, een eetbuistoornis en ARFID. Op de infopagina eetproblemen en eetstoornissen vind je een overzicht van de verschillende ziektebeelden, hun kenmerken en de diagnostische criteria.
In de sport zien we naast eetproblemen en eetstoornissen ook andere gezondheidsproblemen die verband houden met voeding en energie-inname. Een langdurig tekort aan beschikbare energie kan leiden tot lage energiebeschikbaarheid (LEA) en uiteindelijk tot relatieve energiedeficiëntie in de sport (REDs). Hoewel LEA en REDs niet hetzelfde zijn als een eetstoornis, kunnen ze wel samen voorkomen en vragen ze eveneens aandacht.
Ons lichaam heeft dagelijks energie nodig om te functioneren; het ondersteunt belangrijke processen zoals groei, herstel, hormoonproductie, botopbouw, immuniteit… Lage energiebeschikbaarheid (LEA – low energy availability) ontstaat wanneer een sporter via voeding te weinig energie opneemt in verhouding tot wat het lichaam tijdens het sporten verbruikt. Er blijft dan onvoldoende energie over voor alle processen die het lichaam nodig heeft om gezond te blijven en goed te functioneren.
Je kan dit vergelijken met een smartphone die overschakelt naar een energiebesparende modus wanneer de batterij bijna leeg is: om energie te besparen worden bepaalde functies tijdelijk beperkt. Ook het lichaam probeert beschikbare energie zo efficiënt mogelijk te verdelen wanneer er een tekort ontstaat en zal bepaalde processen beperken. De processen die voorrang krijgen hangen af van de levensfase waarin de sporter zich bevindt.
Niet elke periode van LEA is problematisch. Daarom wordt er in de literatuur een onderscheid gemaakt tussen ‘adaptieve’ LEA en ‘problematische’ LEA.
Adaptieve LEA
Bij adaptieve LEA is er sprake van een tijdelijk en beperkt energietekort waarop het lichaam zich kan aanpassen zonder duidelijke negatieve gevolgen voor de gezondheid of prestaties. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen tijdens een korte periode van intensievere training of wanneer een sporter bewust werkt aan een verandering in lichaamssamenstelling. Het lichaam herstelt wanneer er opnieuw voldoende energie beschikbaar is.
Problematische LEA
Wanneer het energietekort groter wordt of langer aanhoudt, kan het lichaam zich niet langer voldoende aanpassen; dan spreken we van problematische LEA. Het lichaam krijgt dan te weinig energie om alle functies optimaal te ondersteunen, waardoor verschillende systemen onder druk komen te staan.
Problematische LEA vormt de belangrijkste onderliggende oorzaak van REDs.
LEA kan zowel bedoeld als onbedoeld ontstaan. Sommige sporters beperken bewust hun energie-inname omdat ze gewicht willen verliezen of denken dat dit hun prestaties zal verbeteren. Bij anderen ontstaat LEA onbedoeld, bijvoorbeeld doordat de trainingsbelasting toeneemt, de energiebehoefte tijdens de groei sterk stijgt of er onvoldoende tijd is om te herstellen. In beide situaties is het belangrijk om de energiebalans tijdig te herstellen.
Hoe ontstaat LEA?
LEA ontstaat wanneer iemand gedurende langere tijd minder energie (calorieën) inneemt dan het lichaam nodig heeft voor zowel de dagelijkse lichaamsfuncties als de energie die sport en training vragen. Enkele veelvoorkomende oorzaken zijn:
REDs is een syndroom dat ontstaat wanneer een sporter gedurende langere tijd wordt blootgesteld aan problematische LEA. REDs beïnvloedt niet alleen sportprestaties, maar kan ook belangrijke gevolgen hebben voor de fysieke en mentale gezondheid.
Een langdurig energietekort kan leiden tot onder andere:
Daarnaast kan REDs gepaard gaan met een verhoogd risico op blessures, tragere recuperatie en verminderde prestaties. Wanneer een sporter ondanks aangepaste training terugkerende stressfracturen, spierblessures of langdurige overbelasting ontwikkelt, is het belangrijk ook aan een mogelijk energietekort of eetprobleem te denken.
Hoewel REDs vaak met topsport wordt geassocieerd, kan het ook voorkomen bij recreatieve sporters of iedereen die veel beweegt zonder voldoende energie op te nemen. Voldoende en regelmatige voeding vormt daarom een essentiële basis voor zowel de gezondheid als de prestaties. Wanneer REDs niet tijdig wordt herkend, kan het leiden tot langdurige gevolgen voor gezondheid en sportdeelname. Vroege herkenning en tijdige begeleiding zijn daarom belangrijk.
Eetstoornissen kunnen voorkomen bij elke sporter, van elk geslacht, leeftijd, lichaamsgrootte en niveau. De sportcontext brengt enkele specifieke uitdagingen met zich mee die het risico kunnen vergroten. Meer info over risico- en beschermende factoren kan je lezen in het stappenplan van eetstoornissen en gewichtsproblemen.
Sporters hebben meer energie nodig dan niet-sporters. Daarom is er binnen de sport veel aandacht voor voeding en eetgedrag. Daarnaast speelt ook de lichaamssamenstelling in sommige sporten een rol bij de prestaties. Sporters dienen een goede balans te vinden tussen training, herstel, voeding en lichaamssamenstelling om optimaal te kunnen presteren. Dat vraagt kennis en vaardigheden. Wanneer die kennis en vaardigheden uitmonden in te rigide eetregels, neemt het risico op energietekort en/of een eetproblematiek toe.
In sommige sporten krijgen gewicht, uiterlijk of lichaamsbouw veel aandacht. Ook lichaamsmetingen, het nastreven van een wedstrijdgewicht of hardnekkige overtuigingen zoals ‘thinner is the winner’ kunnen ertoe leiden dat sporters steeds meer bezig zijn met hun gewicht of lichaamsvorm.
Die druk neemt toe wanneer sporters (het gevoel krijgen dat ze) hun gewicht of lichaamssamenstelling moeten veranderen om geselecteerd te worden, een hogere ploeg te halen of in een bepaalde gewichtsklasse uit te komen.
Veranderingen in het lichaam, bijvoorbeeld tijdens de puberteit of na een blessure, kunnen extra uitdagingen met zich meebrengen. Dit alles kan een negatieve invloed hebben op het lichaamsbeeld en de relatie met eten.
Opmerkingen over gewicht, uiterlijk of lichaamsvorm kunnen bijdragen aan een overwaardering van lichaamsvormen en lichaamsgewicht en een ongezonde relatie met eten.
Dat geldt niet alleen voor kwetsende opmerkingen. Ook goedbedoelde reacties zoals ‘Je ziet er fitter uit’ kunnen een sporter het gevoel geven dat prestaties afhangen van gewicht of uiterlijk.
Veel (top)sporters zijn gedreven en ambitieus en streven naar het beste resultaat. Eigenschappen zoals perfectionisme en doorzettingsvermogen kunnen helpen om sportieve doelen te bereiken, maar maken sporters, zeker topsporters, kwetsbaar voor het ontwikkelen van een eetstoornis.
Topsport combineert meerdere risicofactoren in één context: een sterke prestatiegerichtheid, veel aandacht voor voeding, en een omgeving waarin gewicht vaak bijdraagt aan succes. Topsporters worden daarnaast vaak gekenmerkt door eigenschappen zoals perfectionisme, hoge gedrevenheid en een sterke motivatie om steeds beter te presteren. In deze setting kan streng letten op voeding of lichaamssamenstelling (met doel om beter te presteren) makkelijker doorslaan naar rigide eetregels en energietekort.
Voor jonge sporters is het vinden van een goede energiebalans extra uitdagend. Het lichaam heeft niet alleen energie nodig voor trainingen en wedstrijden, maar ook voor groei en ontwikkeling. Omdat hun energiebehoefte snel verandert, is het niet altijd eenvoudig om de voeding af te stemmen op de nieuwe noden van het lichaam. Een vroege start op hoog niveau of een plotse overstap naar een hoger niveau brengt bovendien vaak een hogere trainingsbelasting én meer prestatiedruk met zich mee. Zonder voldoende kennis en ondersteuning kan het risico op voedingstekorten, eetproblemen en een overdreven focus op het lichaam ontstaan.
Internationale cijfers tonen aan dat eetstoornissen in alle sporttakken kunnen voorkomen, maar dat bepaalde disciplines een groter risico kennen.
In esthetische sporten, zoals gymnastiek, kunstschaatsen, synchroonzwemmen en schoonspringen, speelt het uiterlijk vaak een rol in de beoordeling. Daardoor kunnen sporters meer druk ervaren om een bepaald lichaamsbeeld na te streven.
In sporten zoals judo, worstelen of gewichtheffen proberen sporters soms snel gewicht te verliezen om in een bepaalde gewichtsklasse uit te komen. Vooral wanneer die gewichtsklasse niet aansluit bij het natuurlijke lichaamsgewicht van de sporter, kan dit leiden tot ongezonde gewichtscontrole.
Bij duur- of uithoudingssporten (bv. lange afstand lopen, triatlon, wielrennen) geldt dat er een té grote en eenzijdige nadruk wordt gelegd op het belang van een laag gewicht voor een optimale prestatie. Hierdoor loopt de sporter het risico om rigide en extreem in te zetten op gewichtsverlies.
Het herkennen van een eetproblemen en/of signalen van LEA of REDs bij sporters is niet eenvoudig.
Verstoord eetgedrag lijkt vaak ‘normaal’ te zijn binnen de sportcontext. Denk bijvoorbeeld aan erg gestructureerd eten, het monitoren van wat er wel of niet gegeten wordt of het tijdelijk vermijden van bepaalde voedingsmiddelen. Dit eetgedrag kan als functioneel worden gezien en bij de trainings- of wedstrijdperiode passen… Op zich zijn deze gedragingen niet problematisch, zolang ze flexibel blijven en sporters ze ook kunnen loslaten buiten trainingen, wedstrijden of specifieke periodes in het sportseizoen.
Wanneer deze eetgewoonten steeds rigider worden, veel spanning oproepen of het dagelijks functioneren beïnvloeden, kunnen ze wijzen op een eetprobleem. Een tijdige herkenning is belangrijk. Hoe vroeger een eetprobleem wordt opgemerkt en behandeld, hoe beter de uitkomst voor de sporter.
Mogelijke signalen zijn:
Dwangmatig bewegen
Sporters met een eetstoornis of ernstige ondervoeding kunnen nog opvallend actief zijn of zelfs extra veel willen bewegen omdat ze een sterke drang hiertoe voelen. Deze bewegingsdrang kan ingezet worden om bepaalde moeilijke gevoelens te vermijden. Dat betekent niet dat hun lichaam voldoende energie heeft. Een sterke bewegingsdrang kan net deel uitmaken van de eetstoornis. Meer bewegen of extra willen trainen is dus niet altijd beter. Meer lezen over dwangmatig bewegen kan hier.
Niet elke sporter vertoont dezelfde signalen. Ook wanneer iemand een gezond gewicht heeft of goed blijft presteren, kan er toch sprake zijn van een eetstoornis. Meer info over signalen van een eetstoornis kan je lezen op de infofiche signalen van een (beginnende) eetstoornis.
Twijfel je of bepaalde signalen kunnen wijzen op een eetstoornis? Aan de hand van deze checklists vind je de meest voorkomende kenmerken van anorexia nervosa, boulimia nervosa, een eetbuistoornis en ARFID.
Een langdurig energietekort kan gevolgen hebben voor zowel de gezondheid als de sportprestaties.
Signalen die effect op de gezondheid van de sporter
Signalen die effect hebben op de prestatie van de sporter
Psychologische signalen
Bij sporters met een eetstoornis en/of ernstige ondervoeding kan sporten de gezondheid in gevaar brengen. Sport vormt dan een te grote belasting voor een lichaam dat ernstig uitgeput is.
Enkel een arts kan beoordelen of sporten nog veilig is.
Merk je één of meerdere van onderstaande signalen op, dan is een medische evaluatie aangewezen:
Bij medische instabiliteit kan een arts beslissen dat een tijdelijke stop van trainingen en wedstrijden noodzakelijk is. Rust is geen straf, maar wel noodzakelijke zorg voor het lichaam en onderdeel van de medische behandeling.
Coaches zijn vaak één van de eerste personen die veranderingen opmerken in het gedrag, de stemming of de prestaties van een sporter. Vroegtijdig reageren op signalen vergroot de kans op herstel en kan voorkomen dat problemen ernstiger worden.
Je kan als coach geen diagnose te stellen. Het is wel belangrijk dat je als coach oog hebt voor signalen van een energietekort of een eetproblematiek, en om bezorgdheid uit te spreken en samen te bekijken of en welke ondersteuning en hulp nodig is. Te lang wachten kan ervoor zorgen dat het probleem ernstiger wordt en dat maakt herstel vaak moeilijker.
Ga altijd in gesprek
Wanneer je je zorgen maakt over een sporter, hou je deze bezorgdheid niet voor jezelf maar probeer dan een gesprek aan te gaan.
Kies bij voorkeur een rustig moment waarop er voldoende privacy is en vertrek vanuit je eigen observaties. Benoem concreet wat je hebt opgemerkt en formuleer dit vanuit bezorgdheid eerder dan vanuit een oordeel. Uitspraken zoals “Ik merk dat je de laatste weken erg vermoeid lijkt tijdens de training” of “Ik maak me wat zorgen omdat je moeilijk lijkt te herstellen” maken het gemakkelijker om een gesprek te openen dan uitspraken over gewicht of eten.
Het doel van zo’n gesprek is niet om een diagnose te stellen of de sporter te overtuigen dat er een probleem is. Het gaat er vooral om ruimte te creëren waarin de sporter zijn of haar verhaal kan vertellen en weet dat er iemand beschikbaar is om mee na te denken.
Als de sporter ontkent
Soms reageert een sporter afwijzend op bezorgdheid of geeft hij of zij aan dat er niets aan de hand is. Dat betekent niet noodzakelijk dat de bezorgdheid ongegrond is. Eetproblemen en eetstoornissen gaan vaak gepaard met weinig ziektebesef of met twijfels over hulp zoeken.
Ook wanneer een sporter geen hulpvraag stelt, blijft het zinvol om bezorgdheid uit te spreken, beschikbaar te blijven voor verdere gesprekken en aandacht te houden voor signalen die blijven bestaan of verergeren. Het is daarbij niet nodig om in discussie te gaan over eten, gewicht of gezondheid. Vaak is het belangrijker dat een sporter ervaart dat iemand hem of haar ziet en bereid is mee te denken wanneer dat nodig wordt.
Moedig hulp aan
Betrek ouders tijdig wanneer je je zorgen maakt over een minderjarige sporter. Wanneer signalen aanhouden of wanneer je bezorgd bent, is het belangrijk om een professionele inschatting te laten maken.
Je kan als coach of sportclub niet zelf uitzoeken of er sprake is van een eetprobleem, eetstoornis of RED-S. Een zorgverlener kan samen met de sporter bekijken wat er precies aan de hand is en welke ondersteuning nodig is.
Mogelijke aanspreekpunten – naast ouders – hiervoor zijn de huisarts, sportarts, diëtist, psycholoog.
Je kan ook contact opnemen met de https://eetexpert.be/hulp/ voor advies of hulp bij het vinden van gepaste ondersteuning.
Blijf verbonden
Ook wanneer een sporter professionele hulp krijgt, blijft de sportomgeving een belangrijke bron van steun. Wanneer een sporter tijdelijk niet kan sporten omwille van een eetproblematiek kan je – net zoals bij een fysieke blessure – wel contact houden.
Door contact te blijven houden, belangstelling te tonen en samen te zoeken naar wat nog mogelijk is binnen de sportcontext, kan de club of het team een belangrijke rol spelen in het herstelproces. Daarbij blijft gezondheid steeds de eerste prioriteit, maar hoeft de verbinding met de sport niet verloren te gaan.
Datum laatste aanpassing: 7 oktober 2026
Materialen waarmee je aan de slag kunt in de setting sport.
Sporters hebben vaak een sterkere focus op gewicht. Hoe kan ik met hen communiceren rond gewicht?
De kern is om de focus bij je sporters te brengen naar het goed zorgdragen voor zichzelf, via een gezonde leefstijl (in al zijn facetten). Benadruk het belang van leefgedrag voor gezondheid en sportprestaties, niet van gewicht. Geef zelf nooit commentaar op het gewicht van een sporter, in positieve of negatieve zin, en kom tussen als sporters commentaar geven over elkaars lichaam, óf dat van zichzelf.
Meer informatie rond communiceren rond gewicht met sporters vind je in deze infofiche Praten over eten en gewicht – sporter.
Daarnaast kan je de sporters ook toeleiden naar deze fiches op hun maat:
Wat zijn de kenmerken van een eetstoornis?
Een eetstoornis heeft verschillende componenten. Verstoord eetgedrag staat centraal, maar er is ook impact op lichamelijk en psychosociaal welzijn. Meestal is er een negatief lichaamsbeeld, een wens om slank te zijn en is gewicht erg belangrijk in de manier waarop je naar jezelf kijkt. Personen met een eetstoornis kunnen zich meer en meer gaan terugtrekken van sociale activiteiten. Ook kan er door het eetprobleem een gewichtsprobleem ontstaan (overgewicht en ondergewicht zijn mogelijk). Daarnaast kunnen er medische problemen optreden door ondervoeding, purgeergedrag en/of eetbuien.
Meer info
Info rond eetproblemen en eetstoornissen
Is perfectionisme de oorzaak van eetstoornissen?
Personen die perfectionistisch zijn, kunnen kwetsbaarder zijn om een eetstoornis te ontwikkelen. Toch zit deze link complex in elkaar. Je kan een vrij gezonde vorm en dosis perfectionisme hebben, maar ook een ongezonde vorm van perfectionisme.
Maar wat is perfectionisme, en wanneer wordt het schadelijk? Iemand die perfectionistisch is, stelt hoge doelen voor zichzelf. Op zich is dit geen slechte eigenschap. Want duidelijke doelen opstellen voor jezelf kan motiverend werken.
Maar wanneer je zelfbeeld afhankelijk is van je succes, kan je in de problemen komen. Dan ga je jezelf kritisch beoordelen als je je doel niet bereikt. Of zelfs wanneer je dat doel niet ‘perfect’ hebt bereikt. Zo kan je angst krijgen om fouten te maken en constant twijfelen of je wel genoeg doet om je hoge doelen te bereiken.
We spreken van positief perfectionisme wanneer het gericht is op het bereiken van doelen en daarvoor beloond te worden. Dit gedrag is gemotiveerd door prestatiegerichtheid.
En we spreken van negatief perfectionisme als het bedoeld is om verwachte negatieve situaties te vermijden. Dit is gedrag vanuit faalangst en angst om negatief beoordeeld te worden.
In het onderzoek is nog te weinig onderscheid gemaakt tussen deze vormen van perfectionisme en hun mogelijk verband met de ontwikkeling van eetstoornissen.
Meer info
Risico- en beschermende factoren bij eetstoornissen
Hoe kan een eetstoornis zich ontwikkelen bij (top)sporters?
Bij sporters ontstaan eetproblemen en eetstoornissen meestal vanuit een focus op het verbeteren van de prestaties. Voeding speelt daarbij een belangrijke rol. Hierdoor is er binnen de sportomgeving een verhoogde aandacht voor eet- en drinkgewoonten. De sportcontext is daarenboven een competitieve omgeving. Het lichaam is de tool om prestaties te behalen. Hierdoor ligt er ook een grote focus op het lichaam. Heersende mythes zoals ‘the thinner is the winner’ en sport-specifieke gebruiken zoals lichaamsmetingen en wedstrijdgewicht kunnen bijgevolg leiden tot een preoccupatie bij de sporter rond gewicht en lichaamsvormen, en problemen in het lichaamsbeeld. Sporters zijn bovendien uit zichzelf vaak gedreven personen en gevoelig voor perfectionisme. Dit maakt hen goede sporters, maar dit zijn eveneens eigenschappen die hen vatbaarder maken voor het ontwikkelen van eetproblemen.
Tot slot kunnen eetproblemen ook onbedoeld optreden bij sporters door onvoldoende kennis over toereikende voeding. Een tekort aan voedingsstoffen en energie, kan het eetgedrag in de war brengen en leiden tot RED-S of een eetstoornis. Opgroeiende adolescente sporters zijn extra kwetsbaar voor het ontwikkelen van energietekorten en bijgevolg eetproblemen. Wanneer de groeispurt samengaat met een verhoogd aantal trainingsuren en onvoldoende kennis over de nieuwe voedingsnoden, lopen jonge sporters risico voor een energietekort.
Klassieke risicofactoren die vaak sterker aanwezig zijn binnen de sportwereld:
Sport-specifieke risicofactoren eigen aan de (competitieve) sportomgeving:
Meer info
Setting pagina In de sport
Welke eetproblemen en eetstoornissen komen voor bij sporters?
Algemeen wordt gevonden dat sporters eerder neigen naar het ontwikkelen van een eetprobleem dan een (klinische) eetstoornis. Denk aan een te eenzijdige focus op ‘gezonde voeding’, waardoor het lichaam onvoldoende voedingsstoffen binnenkrijgt, of het niet meer ontspannen of rigide omgaan met eten. Daarnaast kan niet alleen het eetgedrag verstoord geraken, maar ook het beweeggedrag, zoals exessief bewegen of compulsief beweeggedrag. Hierbij gaat een (top)sporter meer bewegen dan vastgelegd in het trainingsschema, of wordt er getraind vanuit een eenzijdige focus op calorieën verbranden. Gezond eten, veel trainen en mager staan, lijken -onterecht – de recepten tot succes.
Verstoord eetgedrag of beweeggedrag kan aan de basis liggen van ernstige voedingstekorten en een lage energiebeschikbaarheid (LEA), wat tot het Relative Energy Deficiency in Sport syndroom (RED-S) kan leiden. Voedingstekorten en energietekorten, kunnen op hun beurt het eetgedrag verder uit balans brengen. Ook wanneer de rigide houding ten opzichte van eten en bewegen extremer wordt, kan er een gevaarlijk patroon van verstoord en schadelijk eetgedrag ontstaan. Hierdoor vergroot de kans op een klinische eetstoornis.
Bij sporters kunnen dezelfde klinische eetstoornissen ontwikkelen als bij niet-sporters. Je leest meer informatie over de erkende eetstoornissen op de pagina’s rond eetproblemen en eetstoornissen en rond gewichtsprobemen. Daarnaast ontstonden in de media en de sportwereld ook andere termen om eetproblemen bij sporters te benoemen. De meest gebruikte termen lijsten we hieronder op. Daarnaast komt er ook meer aandacht voor ‘Orthorexia Nervosa’, ofwel het geobsedeerd bezig zijn met ‘gezondheid’ en ‘gezond eten’. Lees meer informatie over Orthorexia Nervosa.
Anorexia Athletica
Vrouwelijke sporters triade
Biggarexia (Adoniscomplex, reversed anorexia)
Merk op dat het herkennen van een eetprobleem bij (top)sporters niet eenvoudig is. Voor (top)sporters is het namelijk tot op zekere hoogte normaal om veel aandacht te besteden aan het voedingspatroon en hun eetgedrag goed te monitoren. Omdat dit tot doel heeft de lichaamssamenstelling te optimaliseren en de prestatie te verbeteren.
Sporters zelf geven ook vaak aan zich niet te herkennen in het klassieke beeld van een eetstoornis, zoals gekend bij het brede publiek. Goed op mijn eten letten en veel sporten, is toch net goed? Bij sporters is een wens om te vermageren of het lichaam te veranderen, in tegenstelling tot bij niet-sporters, vaak niét het hoofddoel op zich. Bij hen is dit streven naar een lager gewicht gedreven vanuit de wens om beter te presteren.
Wat zijn de risicofactoren bij sporters en bestaan er risico-sporten?
Bovenop de algemene risicofactoren voor eetproblemen en eetstoornissen, kent de sportwereld enkele bijkomende risico’s eigen aan de (competitieve) sportomgeving.
Sport-specifieke risicofactoren :
Internationale cijfers tonen aan dat eetstoornissen in alle sporttakken kunnen voorkomen, maar dat bepaalde disciplines een groter risico kennen.
Hoe vaak komen eetproblemen en eetstoornissen voor bij sporters?
In 2014 was er in Vlaanderen een groot onderzoek naar de prevalentie van eetstoornissen in de topsport, door prof. Laurence Claes (KUL) en Liesbet Boone (UGent), in samenwerking met het toenmalige BLOSO (nu Sport Vlaanderen).
Sporters hebben wel een verhoogd risico op het vertonen van symptomen van een eetprobleem in vergelijking met de niet-sportende bevolking. De bevindingen in Vlaanderen leunen aan bij de vaststelling van het internationaal onderzoek. Internationale cijfers vinden dat 0 tot 19% van de mannelijke sporters en 6 tot 45% van de vrouwelijke sporters een eetprobleem of eetstoornis hebben (IOC). In lijn met de prevalentie bij niet-sporters, blijken dus meer vrouwelijke dan mannelijke (top)sporters te kampen met een eetstoornis of eetprobleem.
Opgedeeld per leeftijd vinden internationale cijfers dat ongeveer 20% van de volwassen (18-35jaar) vrouwelijke sporters en ongeveer 13% van de adolescente (+-16-jaar) vrouwelijke sporters eetproblemen kennen. Voor mannelijke sporters vinden ze 8% voor volwassenen (18-35jaar) en 3% voor de adolescenten (+-16 jaar).
De prevalentie verschilt eveneens per sporttak. Over het algemeen wordt een verhoogd risico gevonden voor esthetische-, duur,- en gewichtssporten. Onderzoek bij mannelijke sporters vindt dat specifiek bij hen de prevalentie verhoogd is in wielrennen; zwaartekrachtsporten en sporten in gewichtsklassen.
Het valt op dat klinische interviews hogere prevalentiecijfers opleveren dan zelf-rapportageonderzoek. Sporters neigen naar het onderschatten van problemen bij zelf-rapportage. Een mogelijke reden hiervoor is dat er nog veel misvattingen over signalen van eetproblemen en eetstoornissen bestaan, waardoor ze binnen de sportomgeving worden gemaskeerd.
Zie ook: Welke eetproblemen en –stoornissen komen voor bij sporters?
Op zoek naar cijfers rond eetproblemen, eetstoornissen en gewichtsproblemen in het algemeen? Neem een kijkje op onze cijferpagina.
Hoe weet ik of een sporter risico loopt op een eetprobleem of eetstoornis?
In de informatiefiche Eetproblemen – sport vind je de rode vlaggen. Om in te schatten of je sporter risico loopt, kijk je naar de balans tussen de aanwezige beschermende factoren en risicofactoren.
Als coach of trainer kan je bij zorgen een gezondheidsprofessional raadplegen.
De gezondheidsprofessionals vinden op hun beurt informatie rond inschatten van eetgedrag in de stappenplannen voor hun discipline.
Merk op dat het herkennen van een eetprobleem bij (top)sporters niet eenvoudig is. Voor (top)sporters is het namelijk tot op zekere hoogte normaal om veel aandacht te besteden aan het voedingspatroon en hun eetgedrag goed te monitoren. Omdat dit tot doel heeft de lichaamssamenstelling te optimaliseren en de prestatie te verbeteren.
Heeft een eetstoornis invloed op je concentratie?
Bij langdurige anorexia nervosa met laag gewicht en ondervoeding kunnen neuropsychologische veranderingen optreden. Hoewel verder onderzoek nodig is rond wijzigingen in de hersenactiviteit, klagen patiënten met anorexia nervosa vaak over aandachts- en geheugenproblemen. Verder kan men vaak moeilijk omgaan met onzekerheden, is er een overmatige focus op details en weinig flexibiliteit in denken en doen. Je hersenen hebben ook voeding nodig, dus is een herstel van gezonde voeding en gewicht hier de aangewezen aanpak.
Wat zijn de richtlijnen rond beweging bij iemand met een eetstoornis?
Beweging kan een plaats hebben in de behandeling, binnen bepaalde grenzen. Gecontroleerde en aangepaste fysieke activiteit heeft een positieve invloed op fysieke en mentale gezondheid. Bij compulsief beweeggedrag vermindert gecontroleerde beweging ook de drang om constant te bewegen, en verhoogt het de dialoog met het lichaam. Bewegingsadviezen voor personen met eetproblemen en eetstoornissen vind je op onze pagina ‘Beweging bij eetstoornissen’. Daarnaast zijn er ook richtlijnen rond beweging bij eetstoornissen, en zelfs een richtlijn specifiek voor sporters met een eetstoornis. Je kan deze richtlijnen raadplegen via Safe Exercise at Every Stage (SEES) Guidelines.
Kan een sporter met een eetstoornis blijven trainen?
Wanneer een sporter worstelt met een eetprobleem of eetstoornis, zullen er aanpassingen moeten gebeuren aan het trainingsschema. Helemaal stoppen met elke vorm van bewegen, moet niet standaard en hangt af van verschillende factoren.
Er gaan recent stemmen op om beweging niet zomaar te schrappen, wanneer een sporter een eetprobleem of eetstoornis heeft. In de plaats daarvan wordt er aangespoord om de mogelijkheden tot bewegen individueel te bekijken aan de hand van een medische, nutritionele én psychologische inschatting.
De reden hiervoor is dat beweging niet alleen verbonden is met het fysieke van ons lichaam, maar ook met sociale, emotionele en cognitieve aspecten. Zeker bij sporters, voor wie training en sport een belangrijk onderdeel is van hun leven, heeft het verbieden van elke vorm van beweging een grote impact. Recent onderzoek vindt bovendien dat het aanbieden van gecontroleerde en aangepaste fysieke activiteit ook een positieve invloed kan hebben op fysieke en mentale gezondheid en voordelen kan hebben in het herstelproces bij personen met een eetprobleem of eetstoornis. Zo kan er via lichte vormen van beweging ingezet worden op het leren omgaan met beweging en het toewerken naar een doordachte en veilige manier van beweging aangepast aan het eigen lichaam.
Uiteraard blijft veiligheid de grootste prioriteit. Daarom vraagt het integreren van beweging in het herstelproces een goed multidisciplinair kader, met aandacht voor de klinische en medische implicaties.
Omdat er tot op heden weinig specifieke richtlijnen bestonden rond fysieke activiteit voor personen met een eetstoornis, werkte een internationale groep gezondheidswerkers en onderzoekers de Safe Exercise at Every Stage: Athlete (SEES-A) richtlijn uit rond beweging bij (top)sporters met een eetstoornis (2020): www.safeexerciseateverystage.com. Als gespecialiseerde gezondheidsprofessional vind je in deze SEES-A richtlijn enkele belangrijke criteria om je beslissing te maken. Een kleurencode symboliseert de fases waarin een sporter zich kan bevinden en de mate van beweging die mogelijk is.
Lees ook de bewegingsadviezen voor personen met eetproblemen en eetstoornissen en de informatie rond compulsief beweeggedrag of bewegingsdrang. Niet alleen het eetgedrag, maar ook beweeggedrag, kan uit balans geraken bij personen met een eetprobleem of eetstoornis.
Waar vind ik als sporter goede informatie over voeding en eten?
Als sporter heb je extra noden op vlak van voeding. Voeding is dé brandstof voor je lichaam. Bij Eetexpert zetten we in op het versterken van eetvaardigheden, ook wel eetcompetenties genoemd. Deze vaardigheden vormen dé basis voor evenwichtig eetgedrag. Evenwichtig eetgedrag staat daarbij voor meer dan alleen de voeding die je eet. Onderzoek toont aan dat mensen met stevige eetvaardigheden minder symptomen en kenmerken van eetstoornissen rapporteren. Deze fiche neemt je mee op weg rond de vier eetvaardigheden: Infofiche Gezonde leefstijl ALLES♥ – Afwisselend eten – sport
De vier eetvaardigheden zijn voor elke sporter belangrijk, onafhankelijk of je als recreant of professionele atleet sport. De invulling ervan verschilt wel en wordt voor elke sporter individueel bepaald onder meer op basis van je leeftijd, geslacht, beoefende sport en het sportstadium waarbinnen je traint.
Onthoud daarbij: De basis voor elke sporter is een evenwichtig voedingspatroon.
Als recreatieve sporter levert een afwisselend eetpatroon, volgens de voedingsdriehoek, je alle voedingsstoffen die je lichaam nodig heeft. Wie meer prestatiegericht traint (2-3 trainingen of +- 5u training per week) kan deze uitbreiden met sportvoeding.
Gezond sporten biedt onderbouwde informatie over toereikende voeding én bespreekt veel voorkomende vragen rond voeding. Ze zijn een betrouwbare partner voor sporters als het gaat over (sport)voeding en veilig sporten in het algemeen.
Ben je op zoek naar begeleiding bij je eetgedrag of voedingskeuze? Wij verwijzen je graag naar een ervaren sportdiëtist. Neem contact op met onze verwijslijn met vermelding van je leeftijd, woonplaats en een korte beschrijving van je vraag.
“Sporters zoeken meer en sneller hulp voor psychische problemen, wanneer er een positieve houding is van coaches, teamleden, leeftijdsgenoten en omgeving ten opzichte van het zoeken naar geestelijke gezondheidszorg”
IOC (2019) rond mental health in elite athletes
Herken je bepaalde signalen bij jezelf of een sporter in je omgeving? Heb je nood aan een gesprek met een psycholoog die vertrouwd is met de uitdagingen van sport, of heb je voedingsadvies nodig en weet je niet waar naartoe?
Je kan zelf contact opnemen met de verwijslijn van Eetexpert voor contactgegevens van gespecialiseerde zorgverleners in je buurt die werken rond eetstoornissen en gewichtsproblemen bij sporters. Je kan er terecht met vragen en zorgen over thema’s zoals voeding, eetgedrag, zelfbeeld en uiterlijk.
Zorgverleners kunnen na login de verwijstool raadplegen om zicht te krijgen op mogelijkheden rond doorverwijzing en samenwerking.
Zit je met een specifiek probleem of een vraag waarmee je niet verder kunt? Stel ze gerust, wij zoeken graag mee naar antwoorden. Bekijk onze contactgegevens.
Ben je op zoek naar hulp voor een eetprobleem, gewichtsprobleem of eetstoornis? Maak je je zorgen om iemand in je omgeving? Contacteer ons vrijblijvend voor zorgverleners in je buurt op de verwijslijn Eetexpert.
Als zorgverlener kan je de verwijstool voor gespecialiseerde zorg bij eet- en gewichtsproblemen raadplegen. Neem contact op met ons of de provinciale zorgpunten eetstoornissen voor advies en ondersteuning bij behandeling of doorverwijzing.
Contacteer ons voor advies bij beleidswerk, wetenschappelijk onderzoek, zorgorganisatie, communicatie of persvragen. Laat je inspireren door onze handige toolbox voor mediamakers.