Eetproblemen en eetstoornissen 

Sommige mensen haperen ergens doorheen hun groeiproces. Een tijdelijke hapering is meestal te begrijpen vanuit de ontwikkeling en is van voorbijgaande aard. Een eetprobleem is een verstoring van gezond eetgedrag, waardoor eten niet meer ontspannen of natuurlijk verloopt. Een eetstoornis omvat verstoord eetgedrag en heeft invloed op meerdere levensdomeinen.

Haperend eetgedrag, eet- en voedingsproblemen en eetstoornissen kunnen op een continuum geplaatst worden.

Haperend eetgedrag

Heel wat mensen maken wel eens een tijdelijke hapering door in het eetgedrag. Vaak kan je deze hapering begrijpen vanuit de ontwikkelingsfase of situatie waarin iemand zich bevindt. Schommelingen in de hoeveelheid die je eet zijn normaal, en eigen aan de normale ontwikkeling van eetgedrag (zie ook infopagina eetgedrag in ontwikkeling).

Voorbeelden van normale haperingen:

  • Tijdelijk weinig eten (bv. bij stress, bij ziekte, bij minder snelle groei) 
  • Tijdelijk selectief eten (bv. in de peuter-kleutertijd ten gevolge van neofobie, in de adolescentie om te experimenteren) 
  • Tijdelijk veel meer eten (bv. bij een groeispurt) 

Haperingen in eetgedrag komen regelmatig voor en maken vaak deel uit van een normale ontwikkeling. Bij zorgen is een rustige aanpak belangrijk, aangezien een te sterke focus op de hapering het eetgedrag verder onder druk kan zetten. De vier eetvaardigheden van competent eetgedrag kunnen hierbij houvast bieden. Lees meer over afwisselend eten op de infopagina Gezonde Leefstijl ALLES.

Eetproblemen 

Haperend eetgedrag kan uitgroeien tot een eetprobleem. Bij een eetprobleem is er een verstoring in het eetgedrag die langer duurt. Het eetprobleem concentreert zich vooral aan tafel en tijdens de eetmomenten. Het eetgedrag verloopt gespannen maar heeft (nog) geen invloed op andere aspecten van het functioneren.

Mogelijke signalen van een eetprobleem:

  • Schuldgevoelens hebben bij wat en hoeveel men eet  
  • Onrust voelen als men bepaalde voedingsmiddelen moet eten  
  • Erg vasthouden aan bepaalde regeltjes rond voeding  
  • Weinig gevarieerd eten   
  • Te vaak eten  
  • Te weinig eten  
  • Niet luisteren naar honger en/of verzadigingssignalen   
  • Geen tijd nemen om te eten   
  • Gebrek aan eetstructuur  
  • ….   

Bij jonge kinderen (< 6 jaar) spreekt men eerder van een voedingsprobleem. Een voedingsprobleem gaat over moeilijkheden in de ontwikkeling van bepaalde eetvaardigheden bij jonge kinderen, vaak in interactie met de context van het kind. Een klassiek voedingsprobleem bij jonge kinderen is selectief of kieskeurig eten.

Hieronder staan verschillende voedings- en eetproblemen beschreven die zich kunnen voordoen bij kinderen, jongeren en volwassenen. Het is belangrijk om elk van deze problemen te kaderen binnen het totaalbeeld van een persoon (zie ook infopagina eetgedrag in ontwikkeling).

Te weinig eten

  • Vormen van voedselweigering zijn problematisch als ze een ernstig gelimiteerd eetpatroon betreffen, met of zonder verstoring van de groei, sinds verschillende weken. 
  • Bij voedselaversie is er een afkeer van bepaalde soorten voedsel of drank. De inname ervan wordt vermeden of zelfs geweigerd, of gaat gepaard met (neiging tot) misselijkheid, braken, angst of andere ongemakken. 
  • Selectief/eenzijdig eten betekent dat een veelheid aan smaken, temperaturen en texturen niet wordt geaccepteerd. Dit kan zijn oorsprong hebben in een leeftijdsgerelateerde neofobie (angst voor nieuw voedsel) waar inadequaat mee werd omgegaan, of te maken hebben met het temperament van het kind. Ook bij kinderen met ASS of andere ontwikkelingsstoornissen komt dit regelmatig voor. 

Teveel eten

  • Objectief overeten: Het kind eet te veel in vergelijking met wat andere kinderen van dezelfde leeftijd/sekse eten zowel bij maaltijden of tussendoor. 
  • Subjectief overeten: Ouder of kind rapporteert dat het kind teveel eet, maar in feite is dat niet het geval in vergelijking met wat anderen van dezelfde leeftijd/sekse eten, zowel bij maaltijden of tussendoor. 

Te vaak eten

Als gezond eetpatroon wordt aanbevolen: drie hoofdmaaltijden per dag en twee tot drie tussendoortjes. Frequenter eten, tussen de maaltijden door, zal er vaak toe leiden dat de eetlust vermindert, zodat je minder eet minder tijdens de maaltijden. Omdat dit meestal de gelegenheid is waarop groenten en fruit op het menu staan, zal tussendoor eten ten nadele van een gezond voedingspatroon zijn. Kinderen drinken bovendien geregeld tussendoor frisdrank of gesuikerde melkdranken, wat ook zal leiden tot vermindering van de eetlust. 

Te snel of te traag eten

Te snel of te traag eten is relatief. Wanneer het kind en de ouders hiervan zelf geen hinder ondervinden, is er eigenlijk geen probleem.

  • Te snel eten kan echter leiden tot verteringsongemakken of tot overeten, aangezien het een twintigtal minuten duurt vooraleer het verzadigingssignaal optreedt. Dit kan ook kaderen binnen een eetbui en dus een signaal zijn van een eetprobleem. 
  • Te traag eten kan een teken zijn van verschillende, al dan niet ernstige eetproblemen. Algemeen kan men stellen dat een gewone maaltijd best niet langer duurt dan een half uur. Wanneer het te traag eten sporadisch voorkomt, is het mogelijk een kwestie van ‘niet lusten’. Bij een kind dat systematisch te traag eet kan men denken aan voedselweigering of slikproblemen. 

Teveel snoepen

Met snoepen bedoelen we het eten of drinken van voedingsmiddelen die men lekker vindt, maar die behoren tot de restgroep van de voedingsdriehoek en dus niet noodzakelijk zijn voor een gezonde voeding (chocolade, cola, chips…). Snoepen mag met mate. Voor kinderen is het een goede gewoonte om snoepen enkel toe te laten in bepaalde situaties of in bijzondere omstandigheden, zoals in het weekend of op een feestje. Het is dus niet eenduidig vast te leggen wanneer iemand te veel snoept. Men zou kunnen stellen dat wanneer de eetlust erdoor vermindert, er sprake is van te veel snoepen. Dit kan uiteraard ook leiden tot gewichtstoename. 

Meer informatie hierover kan je vinden in het stappenplan basiskennis eetstoornissen en gewichtsproblemen kinderen.

Eetstoornissen 

Een eetstoornis omvat verschillende componenten. Zo is er bij een eetstoornis sprake van verstoord eetgedrag in combinatie met:

  • Overevaluatie van gewicht en lichaamsvormen: erg veel waarde hechten aan gewicht en lichaamsvormen,..  
  • Psychosociale problemen: laag gevoel van zelfwaarde, moeilijk kunnen omgaan met heftige emoties, eenzaamheid, .. 
  • Lichamelijke problemen: bv. flauwvallen, koud hebben, vermoeidheid, afwijkend lichaamsgewicht, maag- of darmproblemen, osteoporose,..

Het verstoord eetgedrag is vaak het meest opvallende kenmerk van een eetstoornis, maar is niet altijd zichtbaar of geweten. Het verstoord eetgedrag kan niet verklaard worden door een lichamelijke aandoening of een psychose.   

Gewicht bij een eetstoornis

Eetstoornissen komen voor bij mensen met alle gewichten. Ze kunnen gepaard gaan met ondergewicht, een normaal gewicht, overgewicht of obesitas. Zo gaat anorexia nervosa doorgaans gepaard met ondergewicht, terwijl boulimia nervosa kan voorkomen bij een normaal gewicht of samen kan gaan met overgewicht. Een eetbuistoornis gaat vaak gepaard met overgewicht of obesitas. Toch zegt gewicht op zich niet voldoende over de aanwezigheid of ernst van een eetstoornis. Sommige eetstoornissen hebben weinig of geen zichtbaar effect op het gewicht, waardoor de afwezigheid van over- of ondergewicht niet automatisch betekent dat er geen sprake is van een eetstoornis. Daarom is het belangrijk om niet alleen naar het huidige gewicht te kijken, maar vooral naar de evolutie ervan. Een snelle afname of toename van het gewicht kan een belangrijk signaal zijn, ook wanneer het gewicht nog binnen de normale grenzen valt. Bij kinderen en jongeren is het bovendien essentieel om het gewicht te beoordelen in functie van de groei en de eigen groeicurve. Veranderingen ten opzichte van het gebruikelijke groeipatroon kunnen belangrijke informatie geven, zelfs wanneer het gewicht nog binnen de normale grenzen valt.

Verschijningsvormen

Er zijn verschillende soorten en types eetstoornissen. In de loop van de tijd kan iemand evolueren van het ene van het andere type eetstoornis, zeker als het gaat over anorexia nervosa, boulimia nervosa en eetbuistoornis. Bij deze eetstoornissen blijft de basisproblematiek vaak dezelfde: een sterke focus op lichaam en gewicht, lijngedrag en zeer veel bezig zijn met eten, gewicht of uiterlijk. Ook ARFID waarbij er in oorsprong geen focus is op het lichaam, kan door de ondervoeding wel evolueren naar een eetstoornis zoals anorexia nervosa.

Welke diagnose iemand uiteindelijk krijgt hangt af van de aanwezigheid van lijngedrag, eetbuien en compensatiegedrag en de impact op het gewicht. De kernsymptomen worden grotendeels gedeeld bij boulimia nervosa en anorexia nervosa, maar bij anorexia nervosa is er steeds sprake van ondergewicht.

Soms voldoet iemand niet volledig aan alle diagnostische kenmerken van een specifieke eetstoornis zoals anorexia nervosa, boulimia nervosa, ARFID of eetbuistoornis maar de eetstoornis is daarom niet minder ernstig.

Eetstoornissen volgens DSM-5

De DSM-5 is een internationaal gebruikt classificatiesysteem voor psychische aandoeningen. De DSM-5 voegt alle voedings- en eetstoornissen uit de kindertijd en volwassenheid samen in één categorie. Deze omvat de bekende eetstoornissen zoals anorexia nervosa, boulimia nervosa, eetbuistoornis en ARFID. Vervolgens vallen ook pica en de ruminatiestoornis hieronder en zijn er twee restcategorieën: andere gespecificeerde voedings- of eetstoornis en ongespecificeerde voedings- of eetstoornis.

Bij anorexia nervosa is er steeds sprake van een significant te laag gewicht en zal het eetgedrag restrictief en selectief van aard zijn, maar er kunnen ook eetbuien en compensatiegedrag voorkomen. Daarom wordt in de DSM-5 het onderscheid gemaakt tussen een restrictieve vorm en een vorm waarbij regelmatig eetbuien en/of compensatiegedrag voorkomen.

Bij boulimia nervosa zijn er eetbuien aanwezig en worden deze gevolgd door compensatiegedrag, zoals braken, vasten, misbruik van laxeermiddelen of diuretica of overmatig bewegen. Dit vindt minstens één keer per week plaats gedurende drie maanden.

Ook bij een eetbuistoornis zijn terugkerende eetbuien aanwezig (minstens 1 keer per week gedurende 3 maanden). In tegenstelling tot bij boulimia nervosa zijn er daarbij geen regelmatige compensatiemaatregelen om gewichtstoename tegen te gaan.

Bij ARFID wordt voedsel vermeden omdat er bv. geen interesse is in eten (laag hongergevoel), of omwille van de smaak, textuur of geur (sensorische gevoeligheid) of omdat er angst is voor negatieve gevolgen van het eten zoals verslikken, braken of buikpijn. Bij ARFID kan maar hoeft er geen onder- of overgewicht te zijn en is er geen negatieve of verstoorde lichaamsbeleving.

Andere uitgebreidere info over deze eetstoornissen vind je bij subtypes eetstoornissen.

Pica is het herhaald eten van stoffen die niet bedoeld zijn als voedsel, zoals aarde, papier of andere niet-eetbare materialen. Het gedrag past niet bij de ontwikkelingsleeftijd en maakt geen deel uit van een culturele of sociale gewoonte. Pica komt vooral voor bij jonge kinderen, maar kan ook op latere leeftijd voorkomen.

Bij een ruminatiestoornis wordt voedsel na het eten herhaaldelijk en zonder duidelijke inspanning teruggeacht naar de mond, waarna het opnieuw wordt gekauwd, ingeslikt of uitgespuwd. dit kan voorkomen bij kinderen, maar ook bij volwassenen, bijvoorbeeld bij mensen met een verstandelijke beperking.

De DSM restcategorie ‘andere gespecificeerde voedings- of eetstoornis’ wordt gebruikt wanneer iemand duidelijke klachten en lijdensdruk heeft, maar niet volledig aan de criteria van een specifieke eetstoornis voldoet. De ‘ongespecificeerde voedings- of eetstoornis’ wordt gebruikt wanneer er onvoldoende informatie is om een meer specifieke diagnose te stellen. Dit betekent niet dat de klachten minder ernstig zijn.

Voorbeelden van andere gespecificieerde voedings- of eetstoornissen:

  • Atypische anorexia nervosa: aan alle criteria voor Anorexia Nervosa wordt voldaan, behalve dat het gewicht, ondanks significant gewichtsverlies, binnen of boven het normale bereik ligt (bv. personen die voorheen overgewicht of obesitas hadden en veel zijn afgevallen).
  • Boulimia nervosa (met lage frequentie en/of beperkte duur): aan alle criteria voor Boulimia Nervosa wordt voldaan, behalve dat de eetbuien en inadequaat compenserende gedragingen gemiddeld minder dan één keer per week voorkomen en/of minder dan 3 maanden aanhouden.
  • Eetbuistoornis (met lage frequentie en/of beperkte duur): aan alle criteria voor de Eetbuistoornis wordt voldaan, behalve dat de eetbuien gemiddeld minder dan één keer per week voorkomen en/of minder dan 3 maanden aanhouden.
  • Purgeerstoornis: terugkerend purgerend gedrag om gewicht of lichaamsvorm te beïnvloeden (bijvoorbeeld zelfopgewekt braken, misbruik van laxantia, diuretica of andere medicatie) zonder dat er sprake is van eetbuien.
  • Nachtelijk eetsyndroom: terugkerende episoden van nachtelijk eten, gekenmerkt door eten na het ontwaken uit de slaap of door buitensporige voedselinname na de avondmaaltijd. Er is sprake van bewustzijn en herinnering van het eten. Het nachtelijk eten kan niet worden verklaard door externe factoren of door een andere psychische stoornis en veroorzaakt significante lijdensdruk en/of beperkingen in het functioneren.

DSM-5 criteria eetstoornissen
Bekijk de DSM-5 criteria voor anorexia nervosa
Bekijk de DSM-5 criteria voor boulimia nervosa
Bekijk de DSM-5 criteria voor een eetbuistoornis
Bekijk de DSM-5 criteria voor ARFID
Bekijk de DSM-5 criteria voor andere gespecificeerde eetstoornis
Bekijk de DSM-5 criteria voor ongespecificeerde eetstoornis


Subtypes eetstoornissen

Anorexia Nervosa 

Ongeveer 1% van de Belgische bevolking krijgt ooit in het leven te maken met anorexia nervosa. De eetstoornis komt vaker voor bij tienermeisjes en jongvolwassen vrouwen, maar kan ook voorkomen bij jongens en mannen en op andere leeftijden.

Bij anorexia nervosa is er sprake van een significant laag lichaamsgewicht in verhouding tot de leeftijd, het geslacht, het ontwikkelingsverloop en de lichamelijke gezondheid. Bij kinderen en jongeren wordt hierbij rekening gehouden met de individuele groeicurve. Kenmerkend voor anorexia nervosa is niet alleen het lage lichaamsgewicht, maar vooral dat dit gewicht bewust wordt nagestreefd en in stand gehouden. Dit gebeurt bijvoorbeeld door een sterk restrictief eetpatroon, lijnen, vasten of overmatige lichaamsbeweging. Er is een intense angst voor gewichtstoename.

Lichaamsbeeld en zelfbeeld
Het lichaamsbeeld speelt een belangrijke rol. Iemand met anorexia nervosa kan het eigen lichaam anders ervaren dan anderen het zien en het gewicht of de lichaamsvorm kan een grote invloed hebben op het zelfbeeld. Vaak is er ook weinig inzicht in de ernst van het lage lichaamsgewicht.

Ondergewicht
Een laag lichaamsgewicht op zich betekent niet automatisch dat er sprake is van anorexia nervosa. Omgekeerd kan iemand ook ernstige symptomen van anorexia nervosa hebben zonder objectief ondergewicht. Zo kan iemand na een aanzienlijk gewichtsverlies nog steeds een gewicht hebben dat binnen of boven het normale bereik ligt. Dit wordt atypische anorexia nervosa genoemd.

Bewegingsdrang
Naast een sterke focus op eten, gewicht en lichaamsvormen ervaren veel mensen met een eetstoornis ook een voortdurende behoefte om te bewegen. Deze bewegingsdrang kan een belangrijke rol spelen in het ontstaan en in stand houden van de eetstoornis. Bewegingsdrang of dwangmatige bewegen verwijst naar een sterke, moeilijk te controleren behoefte om voortdurend te bewegen. Het gaat niet meer om bewegen voor het plezier, maar om een gevoel van móéten bewegen om calorieën te verbranden, gewicht te verliezen of controle te houden over het lichaam. Die drang kan zich uiten in overmatig sporten, voortdurend actief willen zijn of moeite hebben om stil te zitten en te rusten, zelfs wanneer het lichaam uitgeput is.

Twee types
Er worden bij anorexia nervosa twee types onderscheiden:

  • Anorexia nervosa van het restrictieve type: het lage gewicht wordt voornamelijk bereikt door lijnen, vasten en/of overmatige lichaamsbeweging. Er zijn geen terugkerende eetbuien of episoden van compensatiegedrag.
  • Anorexia nervosa van het eetbuien-/purgerende type: naast het restrictieve eetgedrag komen ook eetbuien en/of compensatiegedrag voor, zoals zelfopgewekt braken of het misbruiken van laxeermiddelen of diuretica.
    Anorexia nervosa gaat dus niet noodzakelijk gepaard met uitsluitend weinig eten. Ook eetbuien en compensatiegedrag kunnen voorkomen.

Boulimia Nervosa 

Ongeveer 1% van de Belgen boven 18 jaar lijdt ooit aan boulimia nervosa, en de stoornis treedt meestal voor het eerst op tussen 16 en 25 jaar. De stoornis komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

Boulimia nervosa wordt gekenmerkt door terugkerende eetbuien en compensatiegedrag. Dit kan gaan om zelfopgewekt braken, het misbruiken van laxeermiddelen of diuretica, overmatige lichaamsbeweging of restrictief eetgedrag. Net zoals bij anorexia nervosa kan de zelfwaardering bij boulimia nervosa sterk afhankelijk zijn van het lichaamsbeeld.

Eetbuien en compensatiegedrag
Bij een eetbui wordt in korte tijd een grote hoeveelheid voedsel gegeten. Kenmerkend is het gevoel van controleverlies: het gevoel tijdens het eten niet meer te kunnen stoppen of het eetgedrag niet meer onder controle te hebben. Eetbuien kunnen onder meer ontstaan vanuit psychologische restrictie (jezelf bepaalde voedingsmiddelen verbieden), fysiologische tekort of als reactie op moeilijke gevoelens en stress. Na een eetbui ontstaat vaak een sterke angst om aan te komen. Om het gevoel van controle terug te krijgen, kan compensatiegedrag ontstaan, zoals zelfopgewekt braken, vasten, het gebruik van laxantia of diuretica of overmatige lichaamsbeweging.

Vicieuze cirkel
Eetbuien en compensatiegedrag kunnen een belangrijke functie hebben bij het omgaan met emoties. Een eetbui kan tijdelijk afleiding, troost of verdoving bieden bij gevoelens zoals angst, verdriet, eenzaamheid, stress of verveling. Na de eetbui kunnen schaamte, schuldgevoelens en zelfverwijt sterk toenemen. Het compensatiegedrag kan vervolgens tijdelijk het gevoel geven dat de situatie weer onder controle is. Zo kan een vicieuze cirkel ontstaan: moeilijke gevoelens kunnen aanleiding geven tot een eetbui, waarna schaamte en schuldgevoelens toenemen. Dit kan leiden tot compensatiegedrag en vervolgens opnieuw tot strengere controle of restrictie. Deze restrictie kan de kans op een volgende eetbui weer vergroten.

Impulsiviteit
Bij boulimia nervosa zien we vaker impulsiviteit en emotionele instabiliteit. Er kan een sterke schommeling ontstaan tussen controleverlies tijdens een eetbui en een extreme poging om daarna opnieuw controle te krijgen. Ook een laag zelfbeeld en sterke gevoelens van schaamte kunnen een belangrijke rol spelen. Schaamte over eetbuien en compensatiegedrag kan leiden tot geheimhouding en afstand tot de omgeving.

Boulimia nervosa is niet altijd zichtbaar
In vergelijking met anorexia nervosa is boulimia nervosa vaak minder zichtbaar. Mensen met boulimia nervosa hebben meestal een normaal lichaamsgewicht, al kan er ook sprake zijn van overgewicht. Hierdoor kan de stoornis langer onopgemerkt blijven, ondanks de aanzienlijke lichamelijke en psychische gevolgen.

Eetbuistoornis 

Bij een eetbuistoornis of binge eating disorder heeft iemand regelmatig eetbuien waarbij er een sterk gevoel van controleverlies over het eten is. Tijdens zo’n eetbui wordt in korte tijd meer gegeten dan de meeste mensen onder vergelijkbare omstandigheden zouden eten.

Wat is een eetbui?
Een eetbui gaat niet alleen over het eten van een grote hoeveelheid voedsel. Vooral het gevoel geen controle meer te hebben over het eten is kenmerkend.
In de praktijk is het niet altijd eenvoudig om een eetbui duidelijk af te bakenen. Iemand eet niet altijd in korte tijd een zeer grote hoeveelheid voedsel. Soms wordt gedurende een langere periode steeds opnieuw een kleinere hoeveelheid gegeten, bijvoorbeeld telkens een koek of een stukje kaas. Ook dan kan er sprake zijn van een eetbui als er een sterk gevoel van controleverlies is.
Tijdens een eetbui kan iemand bijvoorbeeld:
• sneller eten dan gewoonlijk
• eten tot een onaangenaam gevoel van overvolheid ontstaat, soms tot misselijkheid of pijn
• eten zonder lichamelijke honger
• alleen eten of eten uit schaamte voor de hoeveelheid die wordt gegeten
Na een eetbui kunnen gevoelens van schuld, schaamte, walging of zelfverwijt ontstaan.

Geen compensatiegedrag
Een belangrijk verschil met boulimia nervosa is dat iemand met een eetbuistoornis de eetbuien niet regelmatig probeert te compenseren. Er is bijvoorbeeld geen sprake van zelfopgewekt braken, overmatig bewegen of het misbruiken van laxantia of diuretica.
Dit onderscheid is belangrijk, omdat ook mensen zonder een eetstoornis soms grote hoeveelheden eten. Bij een eetbuistoornis gaat het niet alleen om hoeveel iemand eet, maar vooral om het terugkerende gevoel van controleverlies en de kenmerken die daarmee gepaard gaan.

Gewicht
Een eetbuistoornis kan samengaan met overgewicht of obesitas, maar een bepaald lichaamsgewicht is geen kenmerk van de stoornis. Ook mensen met een ander lichaamsgewicht kunnen een eetbuistoornis hebben.
Overgewicht of obesitas kan wel gepaard gaan met lichamelijke gevolgen, zoals diabetes type 2, hart- en vaatziekten, gewrichtsklachten en ademhalingsproblemen. Deze gevolgen kunnen de lichamelijke en psychische belasting verder vergroten.

Lichaamsbeeld
Bij anorexia nervosa en boulimia nervosa speelt een sterke bezorgdheid over lichaamsgewicht en lichaamsvorm vaak een belangrijke rol. Bij een eetbuistoornis is een dergelijke overwaardering van gewicht en lichaamsvorm geen noodzakelijk kenmerk. Problemen met het lichaamsbeeld kunnen wel voorkomen, maar zijn niet bepalend voor de diagnose.

Andere problemen
Een eetbuistoornis komt regelmatig samen voor met andere psychische problemen, zoals depressieve of bipolaire stoornissen of een persoonlijkheidsproblematiek. Ook kan er overlap zijn met problemen rond impulsiviteit, zoals bij ADHD.
Een eetbuistoornis gaat dus niet simpelweg over te veel eten. Het terugkerende gevoel van controleverlies over het eten staat centraal.

ARFID

Bij ARFID (avoidant/restrictive food intake disorder) wordt eten sterk vermeden of beperkt. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom iemand bepaalde voedingsmiddelen vermijdt.

Een verhoogde sensorische gevoeligheid kan bijvoorbeeld een belangrijke rol spelen. Bepaalde voedingsmiddelen worden dan vermeden vanwege hun smaak, geur of textuur. Veel kinderen met autisme ervaren daardoor eet- en voedingsproblemen.

Ook maag-darmklachten kunnen bijdragen aan het ontstaan van ARFID. Eten wordt dan vermeden wordt uit angst voor mogelijke nadelige gevolgen zoals buikpijn. Deze angst kan ook het gevolg zijn van een eerdere traumatische ervaring zoals zich verslikken of braken. Zo kan iemand bang zijn om zich te verslikken, te braken of over te geven, of een sterke afkeer of walging ontstaan tegenover bepaalde voedingsmiddelen.

Deze vorm van ARFID ontstaat vaak pas op latere leeftijd, in tegenstelling tot de vorm die al in de kinderleeftijd voorkomt, al dan niet in combinatie met autisme. Andere redenen om eten te vermijden zijn een gebrek aan interesse in eten of het vergeten te eten.

Gevolgen van ARFID
Door het vermijdende of restrictieve eetgedrag kunnen voedingstekorten, gewichtsproblemen en/of beperkingen in het sociaal functioneren ontstaan. Mensen met ARFID kunnen zowel ondergewicht als overgewicht hebben. Zo kan het weigeren van voedingsmiddelen leiden tot een te lage voedselinname, terwijl een eenzijdig voedingspatroon met vooral vetrijk eten kan bijdragen aan overgewicht.
Mensen met ARFID eten vaak slechts een beperkt aantal voedingsmiddelen die ze als ‘veilig’ ervaren. Hierdoor kan het eetpatroon erg eenzijdig worden.

ARFID en lichaamsbeeld
Een belangrijk verschil met anorexia nervosa is dat bij ARFID geen sprake is van een verstoorde lichaamsbeleving of een overmatige preoccupatie met gewicht en lichaamsvorm. Het vermijden of beperken van voeding heeft bij ARFID dus niet als doel om af te vallen of het lichaamsgewicht of de lichaamsvorm te beïnvloeden.

Meer informatie vind je op de infopagina over ARFID 

Andere ziektebeelden

Nachtelijk eetsyndroom

Bij het nachtelijk eetbuien syndroom of night eating syndrom (NES) vindt een aanzienlijk deel van de dagelijkse voedselinname tijdens de nacht plaats, soms tot 25% van de totale energiebehoefte. Mensen met het nachtelijk eetsyndroom worden ’s nachts wakker om te eten en kunnen daarna pas weer opnieuw in slaap vallen.

Overdag wordt het ontbijt vaak overgeslagen en worden relatief kleine hoeveelheden gegeten. De nachtelijke eetmomenten zijn doorgaans kleiner dan de eetbuien die voorkomen bij een eetbuistoornis. Door dit verstoorde eetpatroon kan een vicieuze cirkel ontstaan: iemand wordt door honger wakker, gaat eten en kan daarna weer in slaap vallen.
Het nachtelijk eetsyndroom werd lange tijd beschouwd als een combinatie van een slaapstoornis en een eetstoornis. Bij het nachtelijk eetsyndroom is het nachtelijke eetgedrag echter volledig bewust. Wanneer iemand tijdens de nacht eet in een toestand van verlaagd bewustzijn, spreekt men van een slaapgerelateerde eetstoornis. Dit is geen officiële diagnose.
De nachtelijke eetepisoden komen bij het nachtelijk eetsyndroom ten minste twee keer per week voor. Het nachtelijk eetsyndroom gaat vaak gepaard met obesitas en met een sombere of depressieve stemming. Deze stemming neemt meestal toe in de avond.

Orthorexia nervosa 

Orthorexia nervosa wordt gekenmerkt door een obsessie voor ‘gezond’ of ‘puur’ eten.
Hoewel dit in eerste instantie vaak lijkt op een positieve poging om gezond te leven, kan orthorexia nervosa leiden tot ernstige gevolgen, zoals ondervoeding en sociaal isolement. Er worden een aantal kenmerken onderscheiden:

  • Obsessieve preoccupatie met voedselkwaliteit: mensen met orthorexia nervosa zijn overmatig bezorgd over de herkomst, natuurlijkheid en puurheid van ingrediënten, bijvoorbeeld of voeding biologisch of onbewerkt is.
  • Strikte eetregels: het consequent vermijden van volledige voedselgroepen die als ‘onzuiver’ worden beschouwd. Dit kan leiden tot een gebrek aan variatie en voedingstekorten.
  • Emotionele stress: het ervaren van intense schuldgevoelens, angst of schaamte wanneer men afwijkt van de zelfopgelegde eetregels.
  • Sociale beperkingen: de obsessie met gezond eten belemmert het dagelijks functioneren en sociale interacties, vooral in situaties waarbij eten betrokken is.

Ondanks de focus op gezonde voeding kunnen de eenzijdige voedselkeuzes leiden tot ernstige voedingstekorten. Ondergewicht komt dus regelmatig voor, maar is, anders dan bij anorexia nervosa, geen doel op zich.

Geen officiële diagnose
Orthorexia nervosa is geen officiële diagnose en vertoont een grote overlap met eetstoornissen zoals ARFID en anorexia nervosa. Een belangrijk kenmerk van ARFID is onder meer het vermijden van voedsel vanwege zorgen over de aversieve gevolgen van het eten. Dit kan aansluiten bij orthorexia nervosa, waarbij voedsel wordt vermeden vanuit de overtuiging dat het ongezond is of kan maken. Wanneer iemand sterk gefocust is op gezond eten en daarnaast wil afvallen vanuit angst om dik te worden en vanuit zorgen over het lichaamsbeeld, kan er mogelijk sprake zijn van anorexia nervosa.
Andere overeenkomsten van orthorexia nervosa met ARFID, anorexia nervosa en ook de obsessief-compulsieve stoornis zijn de aanwezigheid van rigide (eet)regels en een beperkte flexibiliteit in het eetgedrag.

Wanneer is gezond eten problematisch?
Tot slot is het belangrijk om een orthorectische leefstijl te onderscheiden van een gezond en evenwichtig voedingspatroon. Iemand die bijvoorbeeld na een periode van ongezond eten overstapt naar een gezonder voedingspatroon en daarbij bewust let op de samenstelling van voeding, zoals de hoeveelheid vetten en koolhydraten, heeft geen orthorexia nervosa.

Emetofobie

Emetofobie is een specifieke fobie die wordt gekenmerkt door een intense en aanhoudende angst voor braken. De angst kan gaan over het zelf moeten braken, maar ook over prikkels die met braken te maken hebben. Zo kan iemand bang zijn om iemand anders te zien of horen braken, braaksel te zien of in aanraking te komen met situaties waarin braken mogelijk is. De angst kan ook te maken hebben met de mogelijke gevolgen van braken, zoals besmetting of het gevoel de controle te verliezen.

Kenmerkend voor emetofobie is dat de angst leidt tot vermijding van situaties die met misselijkheid of braken worden geassocieerd. Iemand kan bijvoorbeeld bepaalde voedingsmiddelen of restaurants vermijden, maar ook het openbaar vervoer, drukke plaatsen, medische settings of contact met mensen die ziek zijn. Daarnaast kunnen verschillende veiligheidsgedragingen voorkomen, zoals herhaaldelijk om geruststelling vragen, voedsel controleren of preventief medicatie tegen misselijkheid gebruiken.

Veel mensen met emetofobie zijn voortdurend alert op lichamelijke signalen van misselijkheid. Hierdoor kan een vicieuze cirkel ontstaan: angst kan lichamelijke klachten veroorzaken, zoals misselijkheid, verminderde eetlust en maag-darmklachten, die op hun beurt de angst voor braken opnieuw versterken. Wanneer de voedselvermijding ernstig is, kan dit leiden tot gewichtsverlies en voedingstekorten.

Emetofobie kan worden verward met een eetstoornis, vooral met anorexia nervosa en ARFID, omdat ook daar voedselrestrictie en gewichtsverlies kunnen voorkomen. Bij anorexia nervosa staat de angst om aan te komen en de wens om gewicht te verliezen centraal terwijl het vermijden van voedsel bij emetofobie vooral bepaald door de angst voor misselijkheid en braken. Ook bij ARFID kan voedsel worden vermeden uit angst voor aversieve gevolgen van het eten, waaronder braken. Bij emetofobie beperkt de angst zich echter niet tot eten. Ook andere situaties die met braken worden geassocieerd, kunnen worden vermeden, zoals contact met iemand die ziek is of het gebruik van het openbaar vervoer.

Body Dysmorphic Disorder

Body dysmorphic disorder (BDD) is een stoornis in de lichaamsbeleving en valt onder de obsessief-compulsieve en verwante stoornissen. Er is sprake van een sterke preoccupatie met één of meerdere vermeende onvolkomenheden in het uiterlijk. Wat iemand zelf als storend of afwijkend ervaart, is voor anderen vaak nauwelijks zichtbaar of helemaal niet waarneembaar.

Mensen met body dysmorphic disorder kunnen buitensporig veel tijd besteden aan gedachten en gedrag rond hun uiterlijk. Zo kunnen ze bijvoorbeeld veelvuldig in de spiegel kijken of spiegels juist vermijden, zichzelf vergelijken met anderen, hun uiterlijk proberen te camoufleren met kleding of make-up, zich overmatig verzorgen of regelmatig bevestiging vragen aan anderen. De sterke preoccupatie met het uiterlijk kan veel stress veroorzaken en het dagelijks functioneren ernstig belemmeren.

Musculodysfore stoornis
Een subtype is de musculodysfore stoornis waarbij iemand sterk bezig is met de overtuiging dat het lichaam te klein of onvoldoende gespierd is.

Mate van inzicht
Daarnaast kan onderscheid gemaakt worden in de mate waarin iemand beseft dat de zorgen over het uiterlijk overdreven zijn of niet helemaal overeenkomen met de werkelijkheid. Dit inzicht kan sterk verschillen: sommige mensen beseffen dat hun zorgen mogelijk overdreven zijn, terwijl anderen hier weinig of geen inzicht in hebben.

Body dysmorhpic disorder en eetstoornissen
Body dysmorphic disorder wordt soms verward met een eetstoornis: Zowel body dysmorphic disorder als eetstoornissen kunnen gepaard gaan met een verstoord lichaamsbeeld, sterke ontevredenheid over het uiterlijk, perfectionisme, een lage eigenwaarde en controle- of vermijdingsgedrag.
Het belangrijkste verschil ligt in de focus van de preoccupatie. Bij een eetstoornis staat de bezorgdheid over gewicht en lichaamsvorm doorgaans centraal. Bij body dysmorphic disorder ligt de nadruk meestal op specifieke lichaamskenmerken, zoals de huid, neus of het haar. Dit onderscheid is echter niet altijd scherp. Mensen met een eetstoornis kunnen ook sterk gericht zijn op niet-gewichtgerelateerde uiterlijke kenmerken, terwijl mensen met body dysmorphic disorder zich eveneens zorgen kunnen maken over gewicht of lichaamsvormen.
Tenslotte kunnen body dysmorphic disorder en een eetstoornis kunnen ook tegelijk voorkomen. Mensen met beide problematieken rapporteren vaak ernstigere klachten en een grotere ontevredenheid over meerdere lichaamsdelen.

Ontstaan van een eetstoornis

Wie krijgt een eetstoornis?

Eetstoornissen kunnen op verschillende leeftijden ontstaan, maar doen zich vaak voor tijdens de adolescentie of jongvolwassenheid.
Anorexia nervosa ontstaat meestal in de vroege of midden adolescentie. Bij ongeveer één op de vijf mensen beginnen de klachten tussen 10 en 14 jaar. Bij ongeveer de helft ontstaan ze tussen 15 en 19 jaar.
Boulimia nervosa en de eetbuistoornis ontstaan vaker aan het einde van de adolescentie of in de jongvolwassenheid, meestal tussen 16 en 25 jaar. Een eetbuistoornis kan echter ook al vóór de puberteit beginnen.

Eetstoornissen komen voor bij mensen van alle genders. Anorexia nervosa en boulimia nervosa worden vaker gezien bij meisjes en vrouwen, terwijl eetbuien en de eetbuistoornis ongeveer even vaak voorkomen bij mannen en vrouwen.
Ook bij kinderen jonger dan 12 jaar met anorexia nervosa zijn er relatief meer jongens dan op latere leeftijd. Toch vormen meisjes ook in deze leeftijdsgroep de grootste groep.

Waarom krijgt iemand een eetstoornis?

Een eetstoornis ontstaat niet door één oorzaak. Meestal gaat het om een samenspel van verschillende factoren. Persoonlijke kenmerken, gedachten en gevoelens kunnen samen met invloeden uit de omgeving of stresserende ervaringen het risico op een eetstoornis vergroten.

Onderzoek toont aan dat verschillende factoren een rol kunnen spelen

  • Veel bezig zijn met gewicht en lichaamsvormen, bijvoorbeeld door zorgen over gewicht en lichaamsvormen, ontevredenheid over lichaam of een sterk focus op slank zijn.
  • Negatief affect, zoals angst, somberheid of een aan aanhoudend gevoel van stress.
  • Een kwetsbaar zelfbeeld, bijvoorbeeld wanneer iemand weinig vertrouwen heeft in zichzelf, zich minderwaardig voelt of sterk afhankelijk is van de mening van anderen
  • Moeite met het omgaan met emoties, waardoor eten of andere eetgerelateerde gedragingen een manier kunnen worden om met moeilijke gevoelens om te gaan.

Vooral ontevredenheid over het lichaam en sterke focus op gewicht en lichaamsvormen, en een negatief affect (bv. neerslachtigheid, je alleen voelen,…) worden gezien als de belangrijke risicofactoren. Deze factoren kunnen leiden tot eetstoornissen maar ook tot gewichtsproblemen zoals overgewicht of obesitas.

Zorgen over gewicht en lichaam, gewichtsgerelateerd pesten of goedbedoelde opmerkingen over gewicht en dieetgedrag kunnen zowel verstoord eetgedrag (eetbuien, braken,..) als gewichtsproblemen (overgewicht) in de hand werken.

Een eetstoornis beter begrijpen

Het transdiagnostisch model van Fairburn, Cooper en Shafran (2003) helpt te begrijpen hoe verschillende eetstoornissen ontstaan en in stand worden gehouden. Het model vertrekt vanuit de vaststelling dat veel eetstoornissen dezelfde onderliggende mechanismen delen.

Centraal staat een sterke focus op gewicht, lichaamsvormen en controle over eten. Bij de meeste mensen wordt het gevoel van eigenwaarde beïnvloed door verschillende aspecten van het leven, zoals relaties, school, werk, hobby’s of sport. Bij iemand met een eetstoornis kan het zelfbeeld daarentegen sterk afhankelijk worden van gewicht, uiterlijk en de mate waarin eten onder controle gehouden wordt.

De vicieuze cirkel van controle
Wanneer gewicht en uiterlijk een grote invloed krijgen op hoe iemand zichzelf beoordeelt, kunnen strenge regels rond eten ontstaan. Iemand gaat bijvoorbeeld maaltijden overslaan, bepaalde voedingsmiddelen vermijden of extra veel bewegen.
Het volgen van zulke strenge regels vraagt veel inspanning en is vaak moeilijk vol te houden. Wanneer iemand hiervan afwijkt, kan dat leiden tot gevoelens van falen, schuld of controleverlies. Soms kan dit uitmonden in een eetbui.
Na een eetbui ontstaat vaak opnieuw angst voor gewichtstoename. Om die angst te verminderen kan iemand compenserend gedrag stellen, zoals braken, vasten, het gebruik van laxeermiddelen of overmatig bewegen. Daardoor wordt de focus op controle verder versterkt en kan een vicieuze cirkel ontstaan waarin streng controleren, eetbuien en compensatiegedrag elkaar steeds opnieuw in stand houden.
Niet iedereen doorloopt dit proces op dezelfde manier. Welke factoren een rol spelen en hoe ze elkaar beïnvloeden, verschilt van persoon tot persoon.

Factoren die een eetstoornis mee in stand houden
Naast deze kernmechanismen zijn er ook bredere factoren die het herstel kunnen bemoeilijken. Deze factoren komen niet alleen voor bij eetstoornissen, maar ook bij andere psychische moeilijkheden. Ze kunnen de eetstoornisklachten versterken en ervoor zorgen dat problemen blijven bestaan.
Het transdiagnostisch model onderscheidt vier belangrijke instandhoudende factoren:
• perfectionisme en zelfkritiek
• een laag zelfbeeld
• moeilijkheden in het omgaan met emoties
• sociale en relationele moeilijkheden

Perfectionisme en zelfkritiek
Sommige mensen leggen zichzelf voortdurend hoge eisen op en verwachten van zichzelf dat ze perfect presteren. Wanneer ze die verwachtingen niet halen, reageren ze vaak streng en kritisch naar zichzelf.
Bij een eetstoornis kan dit betekenen dat het niet volgen van eetregels onmiddellijk wordt ervaren als een persoonlijk falen. Hierdoor neemt de drang om nog meer controle uit te oefenen op eten, gewicht of beweging vaak verder toe.

Een laag zelfbeeld
Bij sommige mensen beperkt onzekerheid zich niet tot het lichaam of het gewicht. Zij hebben ook op andere gebieden het gevoel niet goed genoeg te zijn.
Wanneer het algemene zelfbeeld laag is, kan controle over eten of gewicht een manier worden om toch een gevoel van eigenwaarde te ervaren. Daardoor krijgt de eetstoornis vaak een nog belangrijkere plaats in het leven.

Moeilijkheden met emoties
Eten en eetstoornisgedrag kunnen ook een manier worden om met moeilijke gevoelens om te gaan. Verdriet, angst, boosheid, stress of spanning kunnen soms zo overweldigend aanvoelen dat iemand manieren zoekt om die emoties tijdelijk te verminderen.
Eetbuien, compenserend gedrag of overmatig sporten kunnen op korte termijn verlichting geven, maar lossen de onderliggende problemen niet op. Hierdoor blijven zowel de emoties als de eetstoornisklachten vaak bestaan.

Problemen in relaties en omgeving
Ook relationele en sociale factoren kunnen een rol spelen. Spanningen binnen het gezin, conflicten met anderen, een sterke gevoeligheid voor de mening van anderen of opgroeien in een omgeving waar veel nadruk ligt op uiterlijk en slankheid kunnen het zelfbeeld onder druk zetten.
Deze moeilijkheden kunnen de behoefte aan controle vergroten en eetstoornisgedrag verder uitlokken of versterken.

Waarom is dit belangrijk voor de behandeling?
De verschillende factoren binnen het transdiagnostisch model beïnvloeden elkaar voortdurend. Zo kan perfectionisme leiden tot strengere dieetregels, kunnen relationele spanningen eetbuien uitlokken en kunnen moeilijkheden met emoties compenserend gedrag versterken.
Daarom richt een behandeling voor eetstoornissen zich niet alleen op het eetgedrag zelf. Ook de onderliggende factoren die de klachten mee in stand houden, krijgen aandacht. Zo wordt gewerkt aan een duurzaam herstel, waarbij niet alleen de symptomen verminderen, maar ook de oorzaken die het probleem blijven voeden.

Specifieke doelgroepen

Sommige groepen van mensen zijn extra kwetsbaar voor de ontwikkeling van eetproblemen of eetstoornissen of kunnen eetproblemen zich op een andere uiten en is er vaak nood aan specifieke handvatten en ondersteunen.

Autisme

Autisme en eten zijn vaak nauw met elkaar verbonden. Eetproblemen komen vaker voor bij mensen met autisme en kunnen soms uitmonden in een eetstoornis. Daarnaast vraagt ook de aanpak van eetproblemen en eetstoornissen specifieke aandacht. Op de infopagina over autisme lees je hierover meer.

ADHD

ADHD gaat vaker samen met moeilijkheden op vlak van eten. Impulsiviteit, moeite met zelfregulatie, emotionele kwetsbaarheid en een wisselend hongergevoel kunnen bijdragen aan verstoord eetgedrag. Mensen met ADHD lopen bovendien een verhoogd risico op bepaalde eetstoornissen, zoals eetbuistoornis en boulimia nervosa. Meer informatie vind je op de infopagina over ADHD.

Diabetes type 1

Mensen met diabetes besteden noodgedwongen veel aandacht aan voeding, gewicht, lichaamsbeweging en bloedsuikerwaarden. Dit kan het risico op lichaamsontevredenheid en verstoord eetgedrag verhogen. Daarom vragen de preventie, vroegdetectie en behandeling van eetstoornissen bij mensen met diabetes specifieke aandacht. Meer informatie vind je op de infopagina over diabetes (type 1).

Andere culturen

Eetproblemen en eetstoornissen komen voor in alle culturen, maar kunnen zich verschillend uiten en beleefd worden. Daarom zijn preventie, vroegdetectie en behandeling gebaat bij een cultuursensitieve aanpak. Meer informatie vind je op de infopagina over andere culturen.

Checklist: heb ik een eetstoornis?

Vragen rond eten, gewicht en lichaamsbeeld kunnen veel onzekerheid met zich meebrengen. Misschien herken je bepaalde signalen bij jezelf of bij een naaste en vraag je je af of er meer aan de hand is. De checklists op deze pagina kunnen je helpen om stil te staan bij je klachten en bezorgdheden.

Hou er wel rekening mee dat niet alle signalen aanwezig hoeven te zijn vooraleer er sprake is van een eetstoornis. Ook wanneer je slechts enkele kenmerken herkent en je je zorgen maakt, is het belangrijk die bezorgdheid ernstig te nemen.

Blijf er niet alleen mee rondlopen. Praat erover met iemand die je vertrouwt, zoals je huisarts, een ouder, partner, vriend(in) of een (zorg)leerkracht. Samen bekijken wat er speelt, is vaak een belangrijke eerste stap. Verderop vind je ook informatie over waar je terechtkan voor hulp en ondersteuning.

Checklist anorexia nervosa

Signalen van anorexia nervosa.

Content

Checklist boulimia nervosa

Signalen van boulimia nervosa.

Content

Checklist eetbuistoornis

Signalen van eetbuistoornis.

Content

Checklist ARFID

Signalen van ARFID.

Content

Datum laatste aanpassing: 6 september 2026

Verdieping

Thema’s om verder te verkennen

Wil je je verder verdiepen in specifieke thema’s rond eetproblemen en eetstoornissen? Op onze website vind je uitgebreide informatie voor zowel professionals als andere geïnteresseerden. Veel onderwerpen komt ook aan bod in de stappenplannen Basiskennis eetstoornissen en gewichtsproblemen, Basiskennis eetstoornissen en gewichtsproblemen bij kinderen en het stappenplan risicoprofiel bij eet- en gewichtsproblemen waar je verder kan verkennen volgens je eigen vragen en interesses.

In deze stappenplannen vind je onder andere informatie over volgende thema’s:

Stappenplan basiskennis eetstoornissen en gewichtsproblemen

Hier vind je het algemene stappenplan met basiskennis rond eetstoornissen en gewichtsproblemen.

Stappenplan

Stappenplan basiskennis eetstoornissen en gewichtsproblemen kinderen

Hier vind je het algemene stappenplan met basiskennis rond eetstoornissen en gewichtsproblemen.

Stappenplan

Stappenplan risicoprofiel eetproblemen en gewichtsproblemen

Uitgebreide informatie rond factoren die een rol spelen in het ontstaan van eetstoornissen en gewichtsproblemen.

Stappenplan

Tekst – Eetstoornissen en neurodivergentie – zorgverleners

Info en handvatten voor diagnostiek en behandeling bij personen met (een vermoeden van) autisme of ADHD.

Tekst

– 1.1 MB

Boekenlijst

In de boekenlijst van Eetexpert vind je een selectie van boeken rond opgroeiend eetgedrag, eetproblemen, gewichtsproblemen en eetstoornissen (ook specifiek rond autisme en ARFID). Deze boeken bieden informatie en praktische handvatten. De boekenlijst is er voor mensen die zelf met deze uitdagingen te maken hebben, naasten die hen willen begrijpen en ondersteunen, en voor zorgverleners die met deze doelgroep in contact staan.

Richtlijnen en wetenschappelijk onderzoek

Voor wie zich verder wil verdiepen in de wetenschappelijke kennis rond eetproblemen en eetstoornissen, bundelen we de belangrijkste richtlijnen en aanbevelingen.

Daarnaast gebeurt er in Vlaanderen heel wat onderzoek rond eetstoronissen, verstoord eetgedrag en lichaamsbeeld.

Cijfers eet- en gewichtsproblemen

Als je op zoek bent naar cijfers rond de prevalentie van eet-en gewichtsproblemen in Vlaanderen, België en internationaal. of rond andere thema’s verwijzen we je graag naar de infopagina cijfers.

Uitgelichte materialen

Materialen waarmee je aan de slag kunt over het thema eetstoornissen en eetproblemen.

Informatiepakket eetstoornissen – ouders

Informatiepakket voor ouders van een kind met een eetstoornis.

Informatiepakket

– 1.3 MB

Infofiche eetstoornissen – Signalen van een eetstoornis

Checklist signalen van een (beginnende) eetstoornis.

Infofiche

– 253 KB

Infofiche de mythe van lijnen

Waarom is lijnen of ‘op dieet gaan’ een mythe?

Infofiche

– 2.0 MB

Hulp

Herken je signalen van eetproblemen, gewichtsproblemen of een eetstoornis bij jezelf of iemand in je omgeving? Zoek je hulp in je regio? Neem gerust contact op met onze verwijslijn.

Verwijslijn Eetexpert

Ben je op zoek naar hulp voor een eetprobleem, gewichtsprobleem of eetstoornis? Maak je je zorgen om iemand in je omgeving? Contacteer ons vrijblijvend voor zorgverleners in je buurt op de verwijslijn Eetexpert.

secretariaat@eetexpert.be of 0480 60 64 20

Verwijstool voor zorgverleners

Als zorgverlener kan je de verwijstool voor gespecialiseerde zorg bij eet- en gewichtsproblemen raadplegen. Neem contact op met ons of de provinciale zorgpunten eetstoornissen voor advies en ondersteuning bij behandeling of doorverwijzing.

Advieslijn voor preventie, beleid en pers

Contacteer ons voor advies bij beleidswerk, wetenschappelijk onderzoek, zorgorganisatie, communicatie of persvragen. Laat je inspireren door onze handige toolbox voor mediamakers.

Vraag en antwoord

Wat zijn de kenmerken van een eetstoornis?  arrow

Een eetstoornis heeft verschillende componenten. Verstoord eetgedrag staat centraal, maar er is ook impact op lichamelijk en psychosociaal welzijn. Meestal is er een negatief lichaamsbeeld, een wens om slank te zijn en is gewicht erg belangrijk in de manier waarop je naar jezelf kijkt. Personen met een eetstoornis kunnen zich meer en meer gaan terugtrekken van sociale activiteiten.  Ook kan er door het eetprobleem een gewichtsprobleem ontstaan (overgewicht en ondergewicht zijn mogelijk). Daarnaast kunnen er medische problemen optreden door ondervoeding, purgeergedrag en/of eetbuien.  
 
Meer info  
Info rond eetproblemen en eetstoornissen 
 

Welke eetstoornissen bestaan er en hoe vaak komen ze voor? arrow

Er zijn drie categorieën van eetstoornissen volgens de klassieke opdeling: 

  • Anorexia nervosa (AN)  
  • Boulimia nervosa (BN)   
  • Eetbuistoornis (BED of binge eating disorder)  

Bestaan er nog eetstoornissen? 
Ja, er zijn ook andere diagnoses voor eetstoornissen en eetproblemen. Vermijdende-restrictieve voedselinname stoornis (ARFID), bijvoorbeeld. Dit zijn mensen die eenzijdig eten of weinig lusten, waardoor ze in de problemen komen. Ook is er bijvoorbeeld de andere gespecificeerde eetstoornis, zoals purgeerstoornis.  
 
In België ontwikkelt ongeveer 1% van de volwassenen ooit anorexia nervosa, 1% boulimia nervosa en 1,5% een eetbuistoornis. De eetbuistoornis komt dus het vaakst voor. De leeftijd waarop de eetstoornis meestal begint, verschilt per categorie. AN ontwikkelt zich meestal in de vroege adolescentie, BN in de late adolescentie, en BED in de jong volwassenheid.  
 
Meer info  
Eetproblemen en eetstoornissen
Gewichtsproblemen
Cijferpagina

Heeft iemand die weinig lust maar niet wil afvallen, ook een eetstoornis? arrow

Iemand die weinig lust maar niet wil afvallen, kan een eetstoornis hebben. Maar dit is niet altijd zo.  
Als iemand eenzijdig of weinig eet, kan dat verschillende oorzaken hebben: 

  • Slikangst
  • Angst om nieuw of onbekend voedsel te proeven
  • Negatieve ervaringen met bepaald voedsel
  • Sterke overtuiging dat bepaald voedsel ongezond voor je is

De voedselvermijding kan de groei en gezondheid onder druk zetten, en kan psychosociale gevolgen hebben (bv. depressieve gevoelens, niet meer deel kunnen nemen aan bepaalde sociale activiteiten). Dan kan de diagnose ‘vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis’ (een eetstoornis) van toepassing zijn. 

Kunnen personen met een goed zelfbeeld ook vatbaar zijn voor eetstoornissen? arrow

Een positief zelfbeeld is een beschermende factor voor het ontwikkelen van een eetstoornis. Dit betekent dat een positief zelfbeeld de invloed van risicofactoren kan verminderen.   
Maar net zoals er niet één oorzaak is, is er ook niet één grote beschermende factor die iedereen kan beschermen. Andere beschermende factoren zijn onder andere mediaweerbaarheid en goede sociale relaties.   
 
Meer info  
Risico- en beschermende factoren bij eetstoornissen 

Is perfectionisme de oorzaak van eetstoornissen? arrow

Personen die perfectionistisch zijn, kunnen kwetsbaarder zijn om een eetstoornis te ontwikkelen. Toch zit deze link complex in elkaar. Je kan een vrij gezonde vorm en dosis perfectionisme hebben, maar ook een ongezonde vorm van perfectionisme.  


Maar wat is perfectionisme, en wanneer wordt het schadelijk? Iemand die perfectionistisch is, stelt hoge doelen voor zichzelf. Op zich is dit geen slechte eigenschap. Want duidelijke doelen opstellen voor jezelf kan motiverend werken.  


Maar wanneer je zelfbeeld afhankelijk is van je succes, kan je in de problemen komen. Dan ga je jezelf kritisch beoordelen als je je doel niet bereikt. Of zelfs wanneer je dat doel niet ‘perfect’ hebt bereikt. Zo kan je angst krijgen om fouten te maken en constant twijfelen of je wel genoeg doet om je hoge doelen te bereiken. 


We spreken van positief perfectionisme wanneer het gericht is op het bereiken van doelen en daarvoor beloond te worden. Dit gedrag is gemotiveerd door prestatiegerichtheid. 
En we spreken van negatief perfectionisme als het bedoeld is om verwachte negatieve situaties te vermijden. Dit is gedrag vanuit faalangst en angst om negatief beoordeeld te worden.  
In het onderzoek is nog te weinig onderscheid gemaakt tussen deze vormen van perfectionisme en hun mogelijk verband met de ontwikkeling van eetstoornissen.  
 
Meer info  
Risico- en beschermende factoren bij eetstoornissen 

Is een eetstoornis genetisch bepaald? arrow

Er is een samenwerking tussen persoonskenmerken en omgevingskenmerken in de ontwikkeling van een eetstoornis, dus tussen kwetsbaarheden (die deels genetisch kunnen zijn) en stressoren uit de omgeving. Dit is zo bij de meeste stoornissen. Onze genen bepalen dus niet alles. Er kan genetisch wel een bepaalde kwetsbaarheid of gevoeligheid zijn.   

Meer info  
Risico- en beschermende factoren bij eetstoornissen

Heeft een eetstoornis invloed op je concentratie? arrow

Bij langdurige anorexia nervosa met laag gewicht en ondervoeding kunnen neuropsychologische veranderingen optreden. Hoewel verder onderzoek nodig is rond wijzigingen in de hersenactiviteit, klagen patiënten met anorexia nervosa vaak over aandachts- en geheugenproblemen. Verder kan men vaak moeilijk omgaan met onzekerheden, is er een overmatige focus op details en weinig flexibiliteit in denken en doen. Je hersenen hebben ook voeding nodig, dus is een herstel van gezonde voeding en gewicht hier de aangewezen aanpak. 

Hoe kan een eetstoornis zich ontwikkelen bij (top)sporters? arrow

Bij sporters ontstaan eetproblemen en eetstoornissen meestal vanuit een focus op het verbeteren van de prestaties. Voeding speelt daarbij een belangrijke rol. Hierdoor is er binnen de sportomgeving een verhoogde aandacht voor eet- en drinkgewoonten. De sportcontext is daarenboven een competitieve omgeving. Het lichaam is de tool om prestaties te behalen. Hierdoor ligt er ook een grote focus op het lichaam. Heersende mythes zoals ‘the thinner is the winner’ en sport-specifieke gebruiken zoals lichaamsmetingen en wedstrijdgewicht kunnen bijgevolg leiden tot een preoccupatie bij de sporter rond gewicht en lichaamsvormen, en problemen in het lichaamsbeeld. Sporters zijn bovendien uit zichzelf vaak gedreven personen en gevoelig voor perfectionisme. Dit maakt hen goede sporters, maar dit zijn eveneens eigenschappen die hen vatbaarder maken voor het ontwikkelen van eetproblemen. 

Tot slot kunnen eetproblemen ook onbedoeld optreden bij sporters door onvoldoende kennis over toereikende voeding. Een tekort aan voedingsstoffen en energie, kan het eetgedrag in de war brengen en leiden tot RED-S of een eetstoornis. Opgroeiende adolescente sporters zijn extra kwetsbaar voor het ontwikkelen van energietekorten en bijgevolg eetproblemen. Wanneer de groeispurt samengaat met een verhoogd aantal trainingsuren en onvoldoende kennis over de nieuwe voedingsnoden, lopen jonge sporters risico voor een energietekort. 

 
Klassieke risicofactoren die vaak sterker aanwezig zijn binnen de sportwereld: 

  • Een sterkere focus op voeding  
  • Een perfectionistische persoonlijkheid 

Sport-specifieke risicofactoren eigen aan de (competitieve) sportomgeving: 

  • Een sterke focus op eetgedrag, gewicht en uiterlijk 
  • Gewicht wordt vaak gebruikt als parameter of manier om te winnen of presteren 
  • Angst om te falen en druk om te presteren 
  • Sporters in gewichtsklassen moeten vaak op korte tijd afvallen of bijkomen. Dit om in de ‘juiste’ gewichtsklasse te vallen voor een wedstrijd.  
  • Er is een overlap tussen kenmerken die gezien worden als een ‘goede sporter’ en de klassieke risicofactoren voor een eetstoornis, zoals perfectionisme.

Meer info
Setting pagina In de sport

Wat is het verschil tussen eetstoornissen bij mannen en vrouwen? arrow

De gelijkenissen zijn talrijker dan de verschillen. Compensatiegedrag bij mannen uit zich vaker in extreem sporten. Lichaamsontevredenheid bij mannen gaat vaak over gespierder willen zijn, en dat vertaalt zich ook in de symptomen van de eetstoornis. Maar dezelfde diagnoses komen voor bij mannen en vrouwen, en dezelfde risicofactoren spelen een rol. In verhouding is er veel meer wetenschappelijk onderzoek naar eetstoornissen bij meisjes en vrouwen (een steekproef van een studie bestaat vaak enkel of grotendeels uit meisjes), waardoor vergelijkingsmateriaal beperkt is. Er is nood aan meer onderzoek bij jongens en mannen, en dit kan misschien in de toekomst verschillen blootleggen die we nu nog niet kennen.  


Daarbij zijn er ook geslachtsverschillen per eetstoornis. Zo komen AN en BN ongeveer 10 keer vaker voor bij meisjes. Maar de eetbuistoornis komt ongeveer dubbel zo vaak voor bij meisjes als bij jongens. Het geslachtsverschil is bij de eetbuistoornis dus minder groot.  


Ook zien we bij kinderen met een eetprobleem (bv. AN met een vroege aanvangsleeftijd) niet zo’n opvallend verschil tussen jongens en meisjes.  
 
Meer info  
Eetstoornissen bij jongens
Cijfers rond eetstoornissen 

Wat als menstruaties niet terugkeren na een ruime periode van gewichtsherstel? arrow

Het uitblijven van menstruaties kan verschillende redenen hebben:  

  • Het gewicht kan toch nog te laag zijn; bij jongeren moeten we rekening houden met nog verdere groei, en los van de leeftijd speelt ook de BMI vóór de eetstoornis een rol;   
  • Mogelijk is er nog een onregelmatig of eenzijdig eetpatroon;  
  • Mogelijk is er teveel aan sport of fysieke inspanning;   
  • Ook psychische stressfactoren kunnen een rol spelen.  

Naast deze inschatting van onderhoudende factoren van het uitblijven van de menstruatie, kan de arts of gynaecoloog een hormoononderzoek uitvoeren en nagaan of er in de eierstokken enige activiteit op gang komt. 

Wat is het gewichtsdoel bij een eetstoornis met ondergewicht? arrow

Dat is geen exacte wetenschap. Het is belangrijk dat de patiënt een gewicht bereikt dat terug binnen de gezonde grens ligt. Dus bij volwassenen zou je naar BMI 20 kunnen streven. Maar als de BMI voor de eetstoornis hoger lag, kan het doel hoger liggen. Er wordt ook voorgesteld om een range te geven van enkele kilo’s waarbinnen het gewicht ligt dat men wil bereiken, in plaats van een specifiek getal.

Bij jongeren is het belangrijk dat de normale groei en ontwikkeling  zich herstelt. Daarom houdt het gewichtsdoel rekening met de  groeicurven  (gewicht, lengte, BMI) vóór de eetstoornis, de leeftijd waarop de  puberteit  startte, en het huidige stadium van de puberteit. Verder is het belangrijk om bij jongeren die nog groeien het gewichtsdoel regelmatig aan te passen (elke 3 à 6 maanden).   
 
 
Meer info  
Medische opvolging van eetstoornissen – herstel van eetgedrag en gewicht
Voor de huisarts: het stappenplan Eetproblemen en eetstoornissen voor huisartsen 

Vanaf welk BMI is opname nodig bij een eetstoornis? arrow

Hoewel de BMI een belangrijke parameter is, houdt de behandelaar ook rekening met de snelheid en manier van gewichtsverlies. 
 
Voorbeeld
Iemand kan lang op BMI 16 staan en enig evenwicht bereikt hebben. Dit is minder risicovol dan iemand die op BMI 16 terecht is gekomen door heel snel te vermageren.  
Bovendien verhoogt purgeergedrag (braken, laxeer- of plasmiddelen gebruiken) het risico, los van gewicht.  
 
In de praktijk  
Iemand met BMI lager dan 16 krijgt vaak het advies om fysieke inspanningen te beperken (sport, fietsen, turnen)  
BMI 15 is vaak een ondergrens voor ambulante therapie (of percentiel 30 bij onvolgroeide jongeren).  
Maar BMI en lichamelijke gezondheid zijn niet de enige factoren die meespelen in een opname. 
 
Meer info  
Infofiche Eetstoornissen – Zorg op maat en ernstinschatting 
Stappenplan Eetproblemen en eetstoornissen voor huisartsen 

Bestaat er iets om dikkere speekselklieren weg te krijgen bij boulimia nervosa? arrow

Het zwellen van de speekselklieren bij een eetstoornis is bekend. Het is een meestal pijnloze verdikking te merken of voelen voor beide oren of aan de onderkaak. Het is meestal gekoppeld aan het braken.  Als het braken stopt, verdwijnt de zwelling langzaam en meestal volledig. Een specifiek medicijn bestaat niet.  

Wanneer vermindert de zwelling van speekselklieren en gezicht? arrow

Normaal verdwijnt de zwelling van de speekselklieren een week na het stoppen met braken en eetbuien. Dit kan soms langer duren. Let echter op: na het stoppen van braken kan zich tijdelijk een vochtophoping voordoen (oedeem) in het gelaat ’s morgens bij het opstaan. ’s Avonds kan dit bij de benen opduiken. Dit heeft te maken met een verandering in de vochtbalans van het lichaam. Door het regelmatig braken (of laxeren) is er vochtverlies opgetreden zodat het lichaam daarna veel water opslorpt om het evenwicht te herstellen. Daarom kan het gewicht hierdoor in enkele dagen sterk toenemen, maar dat verdwijnt meestal spontaan.  
 
Neem zeker geen vochtafdrijvende middelen. Bij ernstig of blijvend oedeem kan de huisarts aanraden om enige tijd de vochtinname te beperken en een zoutarme voeding te nemen. De huisarts volgt dan ook de bloedwaarden op (bv. natrium en kalium).   
 
 Meer info 
Infofiche Eetstoornissen – Psycho-educatie rond herstel – huisarts

Kan een eetstoornis of obesitas gevolgen hebben voor mijn schuldsaldoverzekering en wat kan ik hierbij doen? arrow

Een schuldsaldoverzekering is vaak een noodzakelijke stap wanneer je een hypothecaire lening afsluit. Bij de beoordeling van een aanvraag kan een verzekeraar medische informatie opvragen om het verzekeringsrisico in te schatten. De beoordeling gebeurt op basis van gezondheidsgegevens en de inschatting van het risico.

Wanneer je een schuldsaldoverzekering aanvraagt, mag een verzekeraar medische informatie opvragen als die nodig is om het verzekeringsrisico te beoordelen. Op basis van die informatie kan de verzekeraar beslissen om de verzekering te aanvaarden, een bijpremie aan te rekenen, bijzondere voorwaarden op te leggen of – in uitzonderlijke gevallen – de aanvraag te weigeren. Een verzekeraar mag alleen medische informatie opvragen die noodzakelijk is om het risico van een schuldsaldoverzekering te beoordelen. In de praktijk gebeurt dit meestal via een medische vragenlijst. Afhankelijk van uw antwoorden kan de verzekeraar bijkomende medische informatie of een medisch onderzoek vragen. De beoordeling moet gebaseerd zijn op objectieve medische en actuariële (zoals bv. overlijden, ziekte of pensioen) gegevens en mag niet steunen op algemene veronderstellingen of stereotypen over een bepaalde aandoening.

Dat betekent dat een verzekeraar iemand niet anders mag behandelen omdat die persoon obesitas of een eetstoornis heeft (gehad). De beoordeling moet gebaseerd zijn op de individuele gezondheidssituatie (Zie ook op de pagina rond gezond vs. normaal gewicht) en het werkelijke verzekeringsrisico.

Gezondheidsgegevens zijn bijzondere persoonsgegevens. Daarom gelden strikte regels voor het verzamelen, gebruiken en bewaren van deze informatie. De verzekeraar mag deze gegevens alleen verwerken voor het beoordelen en beheren van de verzekering en moet daarbij de privacywetgeving naleven.

Als je vindt dat een beslissing onvoldoende gemotiveerd is of dat je ongelijk bent behandeld, kun je de verzekeraar om een toelichting vragen. Als aanvrager mag je vragen:

  • waarom bepaalde medische informatie wordt opgevraagd;
  • hoe uw medische gegevens worden verwerkt en beschermd;
  • hoe een beslissing over uw aanvraag tot stand is gekomen;
  • om meer uitleg wanneer een bijpremie, bijzondere voorwaarde of weigering wordt opgelegd.

Een verzekeraar is niet verplicht om zijn volledige beoordelingsmodellen openbaar te maken, maar moet een beslissing wel op een objectieve en zorgvuldig onderbouwde risicobeoordeling baseren; en moet zijn beslissing wel zorgvuldig kunnen verantwoorden binnen het toepasselijk wettelijke kader.

Je kan een beslissing ook laten herbekijken. Wanneer je niet akkoord gaat met een weigering of een hoge bijpremie, bestaan er in België verschillende mogelijkheden. Je kunt eerst contact opnemen met de verzekeraar om bijkomende informatie te vragen of aanvullende medische gegevens te bezorgen (zie hierboven). Voor bepaalde dossiers kan je vervolgens terecht bij het Opvolgingsbureau voor de tarifering van de schuldsaldoverzekering. Dit bureau onderzoekt, onder de voorwaarden die in de wet zijn vastgelegd, bepaalde beslissingen over weigeringen of hoge bijpremies. Het beoordeelt of de risico-inschatting voldoende is onderbouwd volgens de wettelijke regels. Daarnaast kan je bij een geschil terecht bij de Ombudsman van de Verzekeringen. Wanneer je vermoedt dat je ongerechtvaardigd ongelijk bent behandeld, kan je ook advies vragen aan Unia.

Extra informatie; bronnen

  • Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen – regelt onder meer de mededelingsplicht van de kandidaat-verzekerde en de risicoacceptatie bij verzekeringen.
  • Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie – bepaalt onder welke voorwaarden een onderscheid op basis van gezondheid of handicap gerechtvaardigd kan zijn.
  • Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR) en de Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens – regelen de verwerking van gezondheidsgegevens.