Behandelen van verstoord eetgedrag

Verstoord eetgedrag vraagt gepaste zorg op maat, waarbij indien nodig wordt doorverwezen naar een gespecialiseerde hulpverlener:

  • Bij eetbuien is een aanpak gericht op controle herwinnen over de eetbuien nodig.
  • Lijngericht eten vraagt om bewustwording van de dieethypes en opbouw van een gezonde leefstijl zonder zwart-wit denken.
  • Emotioneel eten vraagt om leren omgaan met emoties.
  • Bij extern eten is het nodig om de vaardigheden rond het weerstaan aan verleiding en uitstellen van behoeftebevrediging te versterken.
  • Familiale problematiek behoeft een aangepast zorgplan op maat.

Verschillende van de factoren die een rol spelen in verstoord eetgedrag, vinden hun tegenpool in goede eetcompetenties: genoeg, geregeld, gevarieerd en gezellig eten. Deze competenties hebben betrekking op het evenwicht vinden tussen een zekere mate van controle over ons eetgedrag, zonder dat deze controle krampachtig wordt. Dit verklaart waarom we in de preventie van verstoord eetgedrag en in het stimuleren van een normale ontwikkeling inzetten op deze competenties.

Eetbuien

Eetbuien, gedefinieerd als ‘de inname van een grote hoeveelheid voedsel die gepaard gaat met gevoelens van verlies van controle over het eten’, kunnen worden beschouwd als een symptoom of, wanneer ze regelmatig optreden, als onderdeel van een syndroom zoals Boulimia Nervosa (BN) of Eetbuistoornis of Binge Eating Disorder (BED) [47]. Als er daadwerkelijk sprake is van een eetstoornis, is multidisciplinaire specialistische zorg aangewezen.

Bij jongeren die niet aan de diagnostische criteria voor een eetstoornis voldoen, verhoogt de aanwezigheid van eetbuien en controleverlies het risico op o.a. overgewicht, verhoogde eetstoornispsychopathologie en psychosociale problemen. Het opsporen en behandelen van eetbuien (en controleverlies), voordat een eetstoornis ontstaat, kan dus een preventieve maatregel zijn [133].

De prevalentie van eetbuien en/of controleverlies bij kinderen en adolescenten met overgewicht en obesitas varieert sterk van studie tot studie. Uit een onderzoek bij 350 Vlaamse kinderen en jongeren (8-18 jaar) met overgewicht of obesitas bleek dat 25.7% controleverlies rapporteerde over het eetgedrag [134]. In een meta-analyse van 36 studies varieerde de prevalentie van eetbuien en/of controleverlies over eten van 0 tot 60,0% [43]. De totale prevalentie van eetbuien/controleverlies over eten werd geschat op 26,3%, met 22,2% voor eetbuien en 31,2% voor controleverlies over eten [43].

De relatie tussen eetbuien en obesitas is complex: de twee problemen hebben een onderlinge wisselwerking en kunnen elkaar versterken. Eetbuien zijn een risicofactor voor de ontwikkeling van obesitas en kunnen de behandeling ervan bemoeilijken. Omgekeerd kunnen overgewicht en obesitas ook het risico op eetbuien vergroten (door bv. stigmatisering, lichaamsontevredenheid, … als triggers voor eetbuien). Lijngerichte behandelingsstrategieën voor obesitas kunnen op hun beurt de eetbuiproblemen verergeren [50, 43, 44].

De behandeling van eetbuien maakt deel uit van het totale behandelplan en kan volgende aandachtspunten omvatten:

  • Eerst overgewicht of eetbuien aanpakken? [135]
    Over het algemeen luidt het advies om eerst de eetbuien aan te pakken en pas nadien het eventuele overgewicht [50] [136]. In de praktijk zal voor beide klachten eenzelfde prioritaire aanpak gebruikt worden, namelijk werken aan een regelmatig en normaal eetpatroon (versterken evenwichtig eetgedrag via eetcompetenties). Daarnaast kan gewerkt worden rond de afname van foutieve cognities rond voeding en lichaamsgewicht [105].
  • Behandelingsstrategieën die streng lijnen aanmoedigen (fysieke honger en een gevoel van deprivatie kunnen triggers zijn voor eetbuien) of de consumptie van bepaalde voedingsmiddelen verbieden, worden sowieso best vermeden [50].
  • Eetdagboek [135]
    Naast normaliseren van het eetgedrag is een eetdagboek een belangrijke stap in de behandeling van eetbuien. Het eetdagboek geeft de jongere feedback over wat en wanneer hij eet, en hoe dat voelt. Het kan de jongere helpen om beter naar zijn lichaam te luisteren en bewuster te eten. Het kan de jongere ook helpen bij het afstemmen op wat de eigen groei vraagt (eetcompetentie (genoeg’). Het leren herkennen van honger- en verzadigingsgevoelens is een belangrijk wapen in de aanpak van overeten en eetbuien [38, 11]. Via het eetdagboek leert de jongere ook triggers identificeren voor controleverlies en eetbuien.

Invultool – Eetdagboek

Eetdagboek

Invultool

– 73 KB

  • Psycho-educatie [135] rond:
    • de mogelijke nadelige gevolgen van de eetbuien voor het lichaam: uitrekking van de maagwand, maagzweer door constante prikkeling van het maagslijmvlies, darmklachten (krampen, diarree, constipatie), … [11];
    • de vicieuze cirkel van lijngedrag en daaropvolgende eetbuien. Hierbij kan het belang van een regelmatig maaltijdenpatroon benadrukt worden, waardoor honger en deprivatie (triggers voor eetbuien) vermeden worden.
  • Leren omgaan met triggers [135]
    Ga na welke de typische triggers zijn van eetbuien bij de jongere. Een eetdagboek kan hierin duidelijkheid geven. Naast de soorten triggers, is het ook belangrijk om na te gaan hoe de jongere reageert op de trigger en de eetbui. Wat zijn de gevolgen? Welke gevoelens en gedachten spelen? Op basis van deze informatie kan er ingezet worden op strategieën voor verandering [11]:
    • in de beginfase: waar mogelijk triggers vermijden; nadien wordt ingezet op het leren omgaan met triggers i.p.v. ze te vermijden; 
    • triggers leren opvangen:
      • alternatieven zoeken en veiligheden inbouwen;
      • gedachten die de eetbui initiëren leren veranderen;
    • leren om de drang om te eten te hanteren;
    • noodplan maken;
    • veranderen van de reactie als de jongere toch een eetbui krijgt.
  • Gezonde leefstijl

Lijngericht eten

Lijngedrag komt vaak voor in de adolescentiefase. Het is een manier om te experimenteren en de identiteit te verkennen. Uit Vlaamse cijfers blijkt dat adolescenten met overgewicht of obesitas de hoogste cijfers tonen m.b.t. lijngedrag: tussen 27% en 45% stelt daadwerkelijk lijngedrag, nog eens 41-49% is van mening dat lijnen wenselijk is [42]. Dit diëten of lijnen uit zich vaak in een te sterke reductie van het aantal dagelijks geconsumeerde calorieën. Deze zelfopgelegde restrictie zorgt ervoor dat de jongere niet meer vertrouwt op signalen van honger en verzadiging, maar cognitieve controle uitvoert over het eetgedrag [44].

Elke restrictie op eten, die gedeeltelijk of geheel als doel heeft om lichaamsgewicht te verliezen of een ander figuur te verkrijgen, wordt beschouwd als lijnen [50]. Kenmerkend voor streng of rigide lijnen zijn de zeer specifieke dieetregels en ook het zwart-wit denken, waarbij zaken in extreme termen worden aanzien: eten is ‘goed’ of ‘slecht’; of er wordt naar zichzelf gekeken als ‘iemand die succesvol is’ of ‘iemand die faalt’ [137, 50]. Deze zwart-wit-kijk kan resulteren in een schuldgevoel wanneer niet voldaan wordt aan de strikte dieetregels, wat op zijn beurt kan resulteren in compensatiegedrag of eetbuien. Streng of extreem lijngedrag wordt als een belangrijke risicofactor voor het ontwikkelen van een eetstoornis beschouwd.

Er zijn verschillende manieren waarop jongeren streng en extreem kunnen ‘lijnen’ [50, 118]:

  • eten langdurig uitstellen: dit kan variëren van enkele maaltijden overslaan tot enkele dagen aan één stuk door vasten;
  • beperken van de totale hoeveelheid voedsel die gegeten wordt: vaak wordt een ‘calorielimiet’ gehanteerd, die beduidend lager ligt dan wat de jongere daadwerkelijk nodig heeft;
  • bepaalde voedingsmiddelen vermijden: bv. omdat die als “dikmakers” beschouwd worden of omdat die in het verleden eetbuien hebben uitgelokt.

De behandeling van jongeren met extreem of rigide lijngedrag omvat volgende elementen [135]:

  • De belangrijkste stap in het stoppen van lijngedrag is het normaliseren van het eetpatroonWerken aan evenwichtig eetgedrag door het versterken van de 4 eetcompetenties zal automatisch bijdragen aan het doorbreken van de vicieuze cirkel van het lijnen.
  • Bijkomende psycho-educatie rond de nadelige effecten van lijnen kan aanbevolen zijn, stem dit af op het stadium van gedragsverandering en de leeftijd van de jongere [81]. Mogelijke nadelige effecten van lijnen:
    • Negatieve lichamelijke gevolgen van het diëten: nutriëntentekorten, weinig energie, afname spiermassa, flauwvallen, …
    • Negatieve psychologische veranderingen door het diëten: mogelijke obsessie door alles wat met voedsel te maken heeft; verminderde interesse in andere zaken; vermijden van sociale contacten, met risico op sociaal isolement; toename prikkelbaarheid en vermoeidheid; snelle afname van het concentratievermogen en geheugen; depressieve stemming; sombere toekomstblik; …
    • Negatieve effecten op sociaal leven (o.a. door het vermijden van sociale contacten);
    • Vasten veroorzaakt een soort ‘craving-reactie’ in het lichaam, een sterke, oncontroleerbare drang naar zoete en calorierijke spijzen. Diëten leidt bij velen dus tot eetbuien;
    • Mogelijke gewichtstoename op lange termijn.

Infofiche de mythe van lijnen

Waarom is lijnen of ‘op dieet gaan’ een mythe?

Infofiche

– 1.8 MB

Emotioneel eten

Bij emotioneel eten is de emotieregulatie vaak ontregeld en worden door het kind of de adolescent allerlei strategieën aangewend om bv. negatieve emoties te onderdrukken. Door ontwikkelingsprocessen reageren jongeren impulsiever en emotioneler, hierdoor neemt emotioneel eten toe tijdens de adolescentie.

Bij een vermoeden van emotioneel overeten, wordt aanbevolen om als diëtist eerst af te toetsen of er ook sprake is van controleverlies. Als er effectief sprake is van controleverlies, is een multidisciplinaire aanpak aangewezen. Wanneer er geen sprake is van controleverlies, kan de diëtist in de behandeling eventueel inzetten op emotieregulatie. Om dit te kunnen inschatten optimaal te kunnen integreren in te behandeling, is het goed om verder inzicht te verwerven in het emotioneel eetgedrag [132]. 

Om verder inzicht te verwerven in het emotioneel eetgedrag, kan er naast enkele algemene vragen (hoe vaak? Wanneer begonnen? Wat wordt er gegeten? Context?) en een eetdagboek, ook ingezet worden op een ABC-analyse [132]: 

  • De A staat hierbij voor ‘antecedenten’, wat er aan het emotioneel eetmoment voorafgaat (bv. dinsdag 11u: alleen op kot, geen les, studietijd, deadlines, … Ik heb geen zin om te beginnen, zo moeilijk en zo een saaie opdracht’). 
  • De B staat voor ‘behaviour’ en hier dus ‘wat er gegeten wordt’ (bv. een chocoladewafel). 
  • De C staat voor consequentie (bv. faalgevoel: “pff. Ik had eigenlijk al een tussendoortje gegeten.”). 

Op basis van deze informatie kan de diëtist inschatten of het eerder over diffuse emoties (moeilijk definieerbaar: frustratie, twijfel, verloren gevoel, …) of heftige emoties gaat, of er alsnog sprake is van controleverlies en of er een link is tussen emoties en eetgedrag. Deze elementen dragen bij tot een behandelplan op maat.

Als er sprake is van diffuse emoties (de emoties zijn niet te heftig, er is geen onderliggende problematiek), waarbij emotioneel eten een gewoonte is, kan worden ingezet op stimuluscontrole (eten op vaste plaatsen en tijden), het leren herkennen van diffuse emoties (over welke emotie gaat het precies) en het aanleren van adaptieve strategieën i.p.v. emotioneel eten: bv. sporten, afleiding, expressie, … Indien nodig kan ook extra ondersteuning vanuit de context worden ingeschakeld, of verwezen worden naar ondersteunende organisaties.

Als er sprake is van specifieke en heftige emoties, waarbij emotioneel eten méér is dan een ongezonde gewoonte en er mogelijk een onderliggende problematiek gaande is, wordt er niet direct aan de slag gegaan met emotieregulatie. Er wordt verder onderzoek verricht, en het behandelplan wordt aangepast in functie van de resultaten van deze verdere verkenning. Eerst wordt nagegaan wat de impact is op het dagelijks functioneren en of er een netwerk is. Goede strategieën worden bekrachtigd: bv. expressie van emoties (waarbij het netwerk ook een belangrijke rol speelt). Als er nood is aan intensieve emotieregulatietraining of andere psychologische ondersteuning kan de jongere worden verwezen naar extra ondersteuning door psycholoog.

Extern eten

Kinderen en volwassenen kunnen individuele verschillen vertonen in de manier waarop ze omgaan met eetprikkels en welke prikkels eetgedrag uitlokken. Zogenaamde ‘externe eters’ laten zich leiden door externe verleidelijke voedselprikkels als geur, zichtbaarheid en smakelijkheid van voedsel en tijdstip van de dag, in tegenstelling tot interne prikkels van honger en verzadiging. Externe eters eten als er eten is, ook als zij net gegeten hebben [138]. Dit vormt een uitdaging voor de eetcompetentie ‘genoeg’. In het algemeen komt deze eetstijl het meest voor in de kindertijd, in vergelijking met andere eetstijlen (emotioneel eten, lijngericht eten) [139].

De eetstijl op zich vormt geen probleem, maar uitgesproken vormen kunnen kaderen in de ontwikkeling van overgewicht en obesitas. De behandeling wordt dan best afgestemd op de aanwezigheid van deze eetstijl, met bv. meer nadruk op werken aan de eetcompetentie ‘genoeg’. Psycho-educatie rond de mogelijke aanwezigheid van de eetstijl kan eveneens deel uitmaken van de behandeling.

Een tool die gebruikt kan worden om eetstijlen in kaart te brengen is de Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag bij kinderen (NVE-K) voor kinderen van 7 tot 12 jaar; bij kinderen ouder dan 12 jaar kan de Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag (NVE) gebruikt worden.